Appellanten hebben een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op grond van de tijdelijke ondersteuning noodzakelijke kosten (TONK-regeling) vanwege een daling van hun inkomen door de coronacrisis. Het college wees de aanvraag af omdat volgens de beleidsregels de inkomensterugval niet minimaal 25% bedroeg, wat een voorwaarde is om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad bevestigde het collegebesluit en oordeelde dat het college binnen zijn beoordelingsruimte heeft gehandeld door de inkomensterugval te bepalen aan de hand van twee peilmaanden (januari 2020 en januari 2021). Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagde niet omdat appellanten geen voldoende onderbouwing boden dat het beleid onevenredig nadelig voor hen zou zijn.
Verder wees de Raad het beroep op de hardheidsclausule af omdat appellanten geen zeer dringende redenen hadden gesteld die een afwijking van het beleid rechtvaardigen. Ook de stelling dat het besluit te laat was genomen, leidde niet tot een andere uitkomst. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag bleef in stand.