ECLI:NL:CRVB:2025:1115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en meldde dat haar ex-partner bepaalde vaste lasten tot 1 maart 2020 betaalde. Het college stelde vast dat appellante niet had gemeld dat haar ex-partner ook daarna vaste lasten betaalde en herzag de bijstand naar een lager bedrag, gevolgd door terugvordering van te veel ontvangen bijstand.
De rechtbank oordeelde dat appellante in de periode tot 1 maart 2020 niet de inlichtingenverplichting had geschonden, maar dat de terugvordering over de periode daarna onvoldoende was gemotiveerd. Het college nam een nieuw besluit waarbij de bijstand werd afgestemd en teruggevorderd over 1 maart tot 30 juni 2020.
Appellante voerde aan dat zij niet wist dat de betalingen van haar ex relevant waren, dat zij sommige kosten alsnog zelf moest betalen, en dat er dringende redenen waren om terugvordering te matigen. De Raad oordeelde dat appellante redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de betalingen relevant waren, dat haar stellingen over terugbetalingen onvoldoende waren onderbouwd, en dat het college een juiste belangenafweging had gemaakt zonder dringende redenen om af te zien van terugvordering.
De Raad herstelde een motiveringsgebrek in het nader besluit en verklaarde het hoger beroep en beroep tegen het nader besluit ongegrond. Appellante kreeg een proceskostenvergoeding van €907 toegekend. De terugvordering en afstemming van bijstand blijven in stand.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd en het beroep van appellante wordt afgewezen.