ECLI:NL:CRVB:2025:1132
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WW- en ZW-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellant had een WW-uitkering en later een ZW-uitkering ontvangen op grond van een vermeend dienstverband bij een bedrijf. Het UWV ontdekte na een intern onderzoek een mogelijk gefingeerd dienstverband en trok de uitkeringen in. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze besluiten. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en verklaarde het beroep ongegrond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn werkzaamheden als centralist wel degelijk bestonden en dat de loonsverhoging gerechtvaardigd was. Hij stelde dat de administratieve onregelmatigheden niet tegen hem mochten worden gebruikt. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het UWV-onderzoek zorgvuldig en toereikend was en dat de rechtbank de aangevoerde gronden van appellant terecht had verworpen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 31 juli 2025.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WW- en ZW-uitkering omdat appellant geen privaatrechtelijke dienstbetrekking had.