Uitspraak
16 maart 2023, 22/1183 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een WIA-uitkering waarbij het UWV later ontdekte dat hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2019 inkomsten had als zelfstandige. Het UWV bracht deze inkomsten terecht in mindering op de uitkering en vorderde een bedrag van €57.856,05 terug als onverschuldigd betaalde uitkering.
Appellant stelde dat hij zijn werkzaamheden als zelfstandige wel had gemeld en dat het UWV onterecht met terugwerkende kracht de inkomsten in mindering bracht. De rechtbank oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden, omdat hij geen objectief bewijs leverde van melding aan het UWV en dat het hem redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de inkomsten invloed hadden op zijn uitkering.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en verwierp het beroep van appellant. De Raad stelde dat het UWV afhankelijk is van de door appellant verstrekte informatie en dat het persbericht over het intrekken van boetes niet op deze situatie van toepassing is. Er was geen dringende reden om af te zien van terugvordering, mede omdat appellant geen onaanvaardbare financiële gevolgen aannemelijk maakte.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 31 juli 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV mag de onverschuldigde WIA-uitkering van €57.856,05 terugvorderen.