ECLI:NL:CRVB:2025:1188
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij ZW-uitkering
Appellante werkte kortdurend bij de Rabobank en meldde zich ziek. Het Uwv kende haar een Ziektewetuitkering toe, die later werd beëindigd omdat zij geschikt werd geacht voor haar werk. Na bezwaar en gewijzigde besluiten werd vastgesteld dat zij recht had op voortzetting van de uitkering vanaf 12 juni 2023.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat de uitkering inmiddels maximaal was verstrekt en de hoogte van de uitkering niet ter discussie stond. Appellante voerde aan dat het ontbreken van een Eerstejaars ZW-beoordeling gevolgen kan hebben voor toekomstige arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen en stelde dat het Uwv onjuist was uitgegaan van haar laatste werkgever.
De Raad oordeelde dat het procesbelang ontbreekt omdat het resultaat dat appellante nastreeft reeds is bereikt en dat toekomstige beoordelingen op actuele onderzoeken zijn gebaseerd, waardoor een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit geen betekenis heeft. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing en omdat het Uwv de werkgever terecht betrok bij de procedure.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van appellante is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.