Appellanten voerden hoger beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hilversum tot intrekking en terugvordering van bijstand, omdat appellant naar het oordeel van het college zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres van appellante en zij een gezamenlijke huishouding voerden.
De rechtbank had dit standpunt bevestigd, maar de Raad oordeelt dat de verklaringen van buurtbewoners onvoldoende concreet en specifiek zijn voor de periode van 11 juli 2008 tot 11 januari 2013 (periode 1). Voor deze periode is er geen toereikende feitelijke grondslag dat appellant zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Voor de periode daarna (periode 2) is er wel voldoende bewijs, mede door aanvullende onderzoeksbevindingen zoals pinbetalingen en zendmastgegevens.
De Raad vernietigt daarom het besluit voor periode 1 en herroept de intrekking en terugvordering van bijstand over die periode. Voor de terugvordering zal het college een nieuwe berekening maken en een nieuw besluit nemen. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten van appellanten.