De erven van betrokkene hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar door de Sociale verzekeringsbank (Svb), nadat de Raad in een eerdere uitspraak de Svb had opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. De erven stelden dat de Svb een dwangsom verschuldigd was wegens het uitblijven van die beslissing.
De Svb erkende dat haar reactie op de ingebrekestelling onjuist was en stelde dat de ingebrekestelling en het beroep onredelijk laat waren ingediend. De Raad oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het beroep bijna zes maanden na de ingebrekestelling werd ingesteld, wat onredelijk laat is. De Raad merkte op dat het voor de advocaat van de erven duidelijk had moeten zijn dat de Svb niet meer op het bezwaar zou beslissen en dat tijdig beroep had moeten worden ingesteld.
Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, kwam de Raad niet toe aan de vraag of de ingebrekestelling zelf onredelijk laat was. De erven krijgen geen dwangsom, geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet terugbetaald. De uitspraak werd gedaan door O.L.H.W.I. Korte namens de Centrale Raad van Beroep op 5 augustus 2025.