Appellant was sinds 1989 in dienst bij een werkgever die failliet werd verklaard in september 2023. Na opzegging van de arbeidsovereenkomst vroeg appellant een faillissementsuitkering aan bij het UWV, waarbij ook niet opgenomen roostervrije dagen (ADV-dagen) werden betrokken.
Het UWV vergoedde deze roostervrije dagen over een periode van 13 weken voorafgaand aan de opzegging en de opzegtermijn, conform artikel 64, eerste lid, onderdelen a en b van de WW. Appellant stelde dat deze dagen als vakantiedagen moesten worden behandeld en over een jaar moesten worden vergoed volgens onderdeel c van dat artikel.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat roostervrije dagen geen vakantiedagen zijn maar een regeling voor arbeidsduurverkorting. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de aard en het doel van roostervrije dagen niet overeenkomen met vakantiedagen. Ook het feit dat de werkgever flexibele voorwaarden hanteerde of de dagen wilde uitbetalen bij einde dienstverband verandert dit niet.
De Raad concludeert dat het UWV de uitbetaling terecht heeft beperkt tot de wettelijke maximale periode en dat dit niet leidt tot een onevenredige uitkomst. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.