Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
(getekend) H.G. Rottier
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 16 WW Pro
(…)
Artikel 19 WW Pro
(…)
Centrale Raad van Beroep
Appellant werkte vier jaar in Nederland en beëindigde zijn arbeidsovereenkomst per 1 mei 2023. Hij vroeg een WW-uitkering aan, maar het Uwv weigerde deze toe te kennen omdat appellant vanaf die datum anders dan wegens vakantie in Slowakije verbleef.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hij vanwege ernstige ziekte en gebrek aan adequate zorg in Nederland gedwongen was naar Slowakije te verhuizen. Hij stelde dat dit bijzondere omstandigheden waren die een uitzondering op de dwingendrechtelijke uitsluiting van artikel 19 WW Pro rechtvaardigen. Tevens beriep hij zich op artikel 11 en Pro 13 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) en stelde dat zijn rechten werden geschonden.
De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW een dwingendrechtelijke bepaling is die geen ruimte laat voor individuele omstandigheden. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen. Het beroep op het ESH slaagde niet omdat deze bepalingen geen direct afdwingbare rechten geven. Ook het verwijt van een oneerlijk proces werd niet onderbouwd.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en liet de weigering van de WW-uitkering in stand. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding. De Raad benadrukte dat appellant mogelijk in aanmerking kan komen voor een Ziektewetuitkering, maar deze kwestie lag niet ter beoordeling in deze procedure.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie.