ECLI:NL:CRVB:2025:1541
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juistheid vaststelling dagloon WIA-uitkering ondanks bijzondere omstandigheden
Appellante kreeg per 30 januari 2023 een WIA-uitkering toegekend met een dagloon vastgesteld op €136,31, gebaseerd op haar loon in de referteperiode van 1 februari 2020 tot en met 31 januari 2021. Zij voerde aan dat zij door de toeslagenaffaire tijdelijk minder uren werkte en daardoor minder loon ontving, wat volgens haar leidde tot een onevenredig lage uitkomst bij de dagloonberekening.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV de dagloonregels juist had toegepast. De rechtbank vond de motivering van het UWV aanvankelijk summier, maar passeerde dit gebrek vanwege aanvullende motivering in de verweerschriften. Appellante stelde dat het UWV had moeten afwijken van de strikte dagloonregels vanwege bijzondere omstandigheden, maar de Raad volgde dit niet.
De Raad benadrukte dat de referteperiode wettelijk dwingend is en dat het loon dat daadwerkelijk in die periode is genoten bepalend is, ongeacht de reden van loonvermindering. De bijzondere omstandigheden van appellante leiden niet tot een onredelijk bezwarend besluit. Ook de vordering tot vergoeding van kosten van bezwaar faalde omdat het primaire besluit niet werd herroepen wegens onrechtmatigheid.
Daarmee bevestigde de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het dagloon van de WIA-uitkering juist is vastgesteld op €136,31 en wijst het hoger beroep af.