AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Gedeeltelijk gegrond beroep tegen woonkostentoeslag bijzondere bijstand en toekenning proceskosten en schadevergoeding
Betrokkene huurde een kamer met all-in-huur en vroeg bijzondere bijstand aan voor woonkostentoeslag. Het college kende een toeslag toe, maar de erven betwistten de hoogte en de wijze van berekening, met name het percentage van de kale huur ten opzichte van de all-in-huur. De rechtbank wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding af.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het college tegenwettelijk begunstigend beleid voert door ondanks artikel 15 lid 1 PWPro toch bijzondere bijstand te verlenen, maar dit beleid consistent toepast. De bezwaren over de hoogte van de woonkostentoeslag slagen daarom niet. Wel is het college gehouden de in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden. Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn van vier jaar en drie maanden is overschreden, waardoor een schadevergoeding van €1.500,- aan de erven wordt toegekend.
Het beroep tegen het eerste bestreden besluit wordt deels gegrond verklaard voor de vergoeding van bezwaarkosten, het beroep tegen het tweede besluit wordt ongegrond verklaard. Het college wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht aan de erven, en de Staat tot schadevergoeding en proceskosten wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: Het beroep wordt deels gegrond verklaard, het college moet bezwaarkosten vergoeden en de Staat een schadevergoeding wegens termijnoverschrijding betalen.
Uitspraak
22/1591 PW, 22/1592 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 april 2022, 20/3727 en 21/3078 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
de erven van [betrokkene] (betrokkene), in leven laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 14 oktober 2025
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de hoogte van de zogenoemde woonkostentoeslag die het college als bijzondere bijstand aan betrokkene heeft toegekend. De erven vinden dat die woonkostentoeslag te laag is vastgesteld, maar zij krijgen in hoger beroep geen gelijk. Wel hebben zij recht op een vergoeding van de in de bezwaarprocedure gemaakte kosten en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
PROCESVERLOOP
Namens de erven heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 september 2025. Voor de erven heeft [gemachtigde] deelgenomen via een audioverbinding. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.T. Bui.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene huurde vanaf september 2015 een kamer bij ‘The Budget Hotel’. De huursom die hij moest betalen betrof een ‘all-in-huur’, dat wil zeggen een bedrag inclusief de kosten van energie, internet en belastingen.
1.2.
Betrokkene heeft op 17 oktober 2019 een aanvraag om bijzondere bijstand bij het college ingediend voor woonkosten in de vorm van een woonkostentoeslag.
1.3.
Met een besluit van 6 december 2019 (besluit 1), herzien bij besluit van 30 maart 2020 (besluit 2), heeft het college betrokkene woonkostentoeslag toegekend, namelijk voor de periode van 17 oktober 2019 tot 20 december 2019 tot een bedrag van € 188,- per maand, voor de periode van 20 december 2019 tot 20 januari 2020 tot een bedrag van € 228,- per maand en voor de periode van 20 januari 2020 tot 17 oktober 2020 tot een bedrag van € 240,- per maand.
1.4.
Het college heeft bij besluit van 6 mei 2020 (bestreden besluit 1) het bezwaar van betrokkene tegen besluit 1 gegrond verklaard, omdat het college bij dat besluit ten onrechte niet de meest recente gegevens over huurbetaling heeft betrokken. Dit leidt niet tot toekenning van de in bezwaar gemaakte kosten, omdat betrokkene een bewindvoerder had en het maken van bezwaar tot de taken van de bewindvoerder hoort. Het college heeft het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat voor de berekening van de hoogte van de woonkostentoeslag wordt uitgegaan van de kale huurprijs. Bij een all-in-huurprijs geldt dat de kale huur 60% van de huursom bedraagt.
1.5.
Betrokkene heeft op 25 oktober 2020 opnieuw een aanvraag om bijzondere bijstand bij het college ingediend voor woonkosten in de vorm van een woonkostentoeslag.
1.6.
Met een besluit van 10 november 2020 (besluit 3) heeft het college betrokkene voor de periode van 17 oktober 2020 tot en met 16 oktober 2021 woonkostentoeslag toegekend tot een bedrag van € 240,- per maand.
1.7.
Bij besluit van 15 maart 2021 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van betrokkene tegen besluit 3 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd. De motivering van bestreden besluit 2 komt naar strekking overeen met de in 1.4 weergegeven motivering voor de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen besluit 2.
1.8.
Betrokkene is op 10 april 2021 overleden.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen bestreden besluit 1 (eerste procedure) en bestreden besluit 2 (tweede procedure) ongegrond verklaard en die besluiten in stand gelaten. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 vanPro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) afgewezen.
Het standpunt van de erven
3. De erven zijn het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd, komt hierna aan de orde.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 terecht ongegrond heeft verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn terecht heeft afgewezen. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die de erven in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt voor zover het betrekking heeft op de hoogte van de woonkostentoeslag en dat het hoger beroep wel slaagt voor zover het betrekking heeft op de toekenning van de in bezwaar gemaakte kosten. Verder komt de Raad tot het oordeel dat de erven recht hebben op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot zijn oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Hoogte woonkostentoeslag
4.1.
De erven hebben aangevoerd dat het college er ten onrechte van uitgaat dat de kale huurprijs 60% van de all-in-huurprijs bedraagt. Dit percentage is onvoldoende gemotiveerd. In het geval van betrokkene dient van een hoger percentage te worden uitgegaan, omdat bij kamerhuur de kale huurprijs een groter deel van de totale huursom bedraagt dan bij een zelfstandige woning. De werkwijze van het college is bovendien willekeurig, de uitkomst verschilt van medewerker tot medewerker.
4.2.
Het college heeft, mede onder verwijzing naar een intern memo van november 2015, toegelicht dat bewoners van The Budget Hotel voor woonkostentoeslag in aanmerking komen als zij aan de voorwaarden voor bijzondere bijstand voldoen en dat het college, bij het bepalen van de hoogte van de woonkostentoeslag, in navolging van de Belastingdienst uitgaat van een kale huurprijs van 60% van de all-in-huurprijs. Het college heeft uitgezocht dat dit in vergelijkbare zaken op dezelfde wijze is gebeurd als bij betrokkene.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 15, eerste lid, van de Participatiewet in dit geval in de weg staat aan bijstandverlening. Het beleid van het college om in weerwil hiervan toch bijzondere bijstand te verlenen voor de hier aan de orde zijnde kosten, moet daarom worden aangemerkt als tegenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt tegenwettelijk begunstigend beleid als een gegeven aanvaard en dus niet op rechtmatigheid getoetst, met dien verstande dat wel wordt getoetst of het beleid op consistente wijze wordt toegepast. [1] Dit betekent dat de beroepsgronden van de erven over de inhoud en motivering van het beleid, niet slagen. Dat het college het beleid niet consistent zou toepassen is, gelet op de toelichting die het college heeft gegeven en bij gebreke van een onderbouwing van de zijde van de erven, niet aannemelijk. De beroepsgronden van de erven slagen dus niet.
Vergoeding kosten in bezwaar
4.4.
Het college heeft in het verweerschrift erkend dat de in bezwaar (tegen besluit 1) gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen, gelet op de rechtspraak van de Raad. [2] De beroepsgrond hierover van de erven slaagt.
Overschrijding redelijke termijn
4.5.
De erven hebben aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, heeft afgewezen. Zij verzoeken alsnog een schadevergoeding toe te kennen.
4.6.
Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [3]
4.7.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de redelijke termijn niet is overschreden. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat in dit geval aanleiding bestaat om uit te gaan van een langere redelijke termijn, namelijk een verlenging met drie maanden, vanwege – kort weergegeven – het processuele gedrag van (de gemachtigde van) de erven. De beroepsgrond hierover van de erven slaagt niet, nu zij onvoldoende hebben gemotiveerd wat niet juist is aan dit oordeel en deze overweging van de rechtbank. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding dus terecht afgewezen.
4.8.
De erven verzoeken in hoger beroep een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op het in 4.7 overwogene gaat de Raad bij de beoordeling van dit verzoek ook uit van een verlenging van de redelijke termijn met drie maanden. De totale duur van de redelijke termijn is daarmee vier jaar en drie maanden. De Raad stelt vast dat in de eerste procedure de termijn op 17 januari 2020 is aangevangen, dat is de dag waarop het college het bezwaarschrift van betrokkene tegen besluit 1 heeft ontvangen. De redelijke termijn van vier jaar en drie maanden voor de totale duur van de procedure is dan ook op het moment van deze uitspraak overschreden. De overschrijding bedraagt meer dan een jaar maar minder dan anderhalf jaar en is geheel toe te rekenen aan de rechterlijke fase van de procedure. In beginsel is een vergoeding van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden passend. Aan de erven zal daarom een schadevergoeding van € 1.500,- worden toegekend, te betalen door de Staat.
4.9.
De overschrijding van de redelijke termijn in de tweede procedure leidt niet tot een hogere schadevergoeding. Beide procedures hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Van extra spanning en frustratie door de tweede procedure is daarom geen sprake. Met betrekking tot deze procedure kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn door de Staat is geschonden.
Conclusie en gevolgen
5.1.
Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is gegrond. De Raad zal bestreden besluit 1 vernietigen voor zover geen vergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten is toegekend, en bepalen dat alsnog een vergoeding van € 1.294,- (2 punten x € 647,-) wordt toegekend. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond. Verder zal de Staat worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
5.2.
Er bestaat aanleiding het college te veroordelen in de kosten die in verband met het beroep en hoger beroep redelijkerwijs zijn gemaakt. Deze kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op € 3.628,- (4 punten x € 907,-), te betalen door het college aan de erven. Het college dient ook het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan de erven te vergoeden. Wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn bestaat aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van de erven tot een bedrag van € 907,- (2 punten x € 907,- x wegingsfactor 0,5).
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het besluit van 6 mei 2020 gegrond voor zover daarbij geen vergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten is toegekend, vernietigt dat besluit in zoverre en bepaalt dat het college een bedrag van € 1.294,- aan de erven vergoedt;
verklaart het beroep tegen het besluit van 15 maart 2021 ongegrond;
veroordeelt het college in de proceskosten van de erven tot een bedrag van € 3.628,-;
bepaalt dat het college aan de erven het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 233,- vergoedt;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan de erven van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-;
veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van de erven tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2025.
(getekend) J.J. Janssen
(getekend) L. van Beelen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel
Participatiewet
Artikel 15, eerste lid,
Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.