ECLI:NL:CRVB:2016:4255
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Sociale Verzekeringsbank tot verrekening proceskostenvergoeding met openstaande vordering
Betrokkene en zijn echtgenote ontvingen een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO). Na een eerdere uitspraak waarin de rechtbank Overijssel het besluit tot blokkering van de AIO-aanvulling vernietigde en de Sociale Verzekeringsbank (Svb) veroordeelde tot vergoeding van proceskosten, verrekende de Svb deze proceskostenvergoeding met een openstaande vordering op betrokkene en zijn echtgenote. De rechtbank verklaarde dit besluit onrechtmatig en vernietigde het.
De Svb stelde in hoger beroep dat zij bevoegd was de proceskostenvergoeding te verrekenen met de openstaande vordering, ook al was de proceskostenvergoeding aan een gemachtigde met toevoeging betaald. De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze bevoegdheid op grond van artikel 60a, vierde lid, van de Participatiewet (PW) en artikel 47a, derde lid, PW, in samenhang met artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Raad verwierp het verweer van betrokkene dat de proceskostenvergoeding niet met de vordering verrekend mocht worden vanwege de toevoeging. Ook het beroep op het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 en de hardheidsclausule werd niet gevolgd, omdat deze pas na het verlenen van de toevoeging van kracht werd.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het besluit van de Svb ongegrond voor zover het ging om de verrekening van de proceskostenvergoeding. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank ongegrond voor zover het ziet op de verrekening van de proceskostenvergoeding.