ECLI:NL:CRVB:2025:159
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant ontving tot 3 september 2021 bijstand van de gemeente Utrecht. Na verhuizing meldde hij zich op 24 september 2021 bij het college van Rotterdam voor bijstand, welke aanvankelijk werd afgewezen. Na een tweede aanvraag werd bijstand toegekend met ingang van 19 december 2021, later herzien naar 24 september 2021. Appellant vorderde een eerdere ingangsdatum, namelijk 3 september 2021, wegens vermeende bijzondere omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant zich pas op 24 september 2021 had gemeld en geen bijzondere omstandigheden waren gebleken die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. De Raad overwoog dat in beginsel bijstand niet wordt verleend voor de datum van melding, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen, zoals onmogelijkheid tot tijdige aanvraag of belemmering door het college.
Appellant stelde dat door de coronapandemie en sluiting van het gemeentehuis het niet mogelijk was eerder bijstand aan te vragen en dat het college onzorgvuldig handelde door geen rekening te houden met de verhuisperiode. De Raad verwierp deze stellingen omdat appellant geen bewijs leverde van belemmeringen en het college niet in strijd handelde met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de ingangsdatum van 24 september 2021 gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de ingangsdatum van de bijstand blijft 24 september 2021.