Appellant was bestuurder van een stichting die onroerende zaken en kasmiddelen beheerde. Het college trok zijn bijstand in en vorderde terugbetaling omdat appellant feitelijk over het vermogen van de stichting kon beschikken, wat hij niet had gemeld. De rechtbank oordeelde dat de stichting een schijnconstructie was om het vermogen buiten het zicht van de bijstand te houden en wees het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
In hoger beroep stelde appellant dat hij niet over het vermogen kon beschikken en dat dit vermogen gedeeld moest worden door drie bestuurders. De Raad volgde dit niet en bevestigde dat alle bestuurders zelfstandig over de middelen konden beschikken en dat het vermogen niet verdeeld hoefde te worden. Ook ontbrak bewijs voor een schuld aan de Roma-gemeenschap.
Wel oordeelde de Raad dat de procedure ruim acht jaar langer duurde dan de redelijke termijn en kende daarom een schadevergoeding van €9.000 toe. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan appellant vergoed. De intrekking en terugvordering van bijstand en de verrekening van kostenvergoeding blijven gehandhaafd.