ECLI:NL:CRVB:2025:1682

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
25/1938 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening van een eerdere uitspraak inzake WAO-uitkering en voorlopige voorziening

In deze zaak heeft verzoekster op 6 september 2025 een verzoek om herziening ingediend tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 21 augustus 2025, waarin haar verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat verzoekster geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven tot herziening. Verzoekster stelde dat zij tijdens de zitting van 14 augustus 2025 werd overvallen door het feit dat niet alleen de voorlopige voorziening, maar ook de hoofdzaak werd behandeld. De voorzieningenrechter heeft echter vastgesteld dat verzoekster op de hoogte was van de mogelijkheid dat de hoofdzaak ook behandeld zou worden en dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tijdens de zitting. De voorzieningenrechter heeft de zaak zonder zitting behandeld omdat partijen geen behoefte hadden aan een zitting. De voorzieningenrechter heeft geconcludeerd dat er geen grond is voor herziening en heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak van 21 augustus 2025 blijft daarmee in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om herziening van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 21 augustus 2025, 24/1883 en op het verzoek van 6 september 2025 om toepassing van artikel 8:81 van de Awb
Partijen:
[verzoeksters] te [woonplaats] (verzoekster)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 november 2025

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om een verzoek om herziening van een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad en een in dat kader ingediend verzoek om voorlopige voorziening. Wat verzoekster heeft aangevoerd, is niet voldoende om te oordelen dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening slaagt dan wel dat de uitspraak vervallen moet worden verklaard.

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft op 6 september 2025 verzocht om herziening van de uitspraak van 21 augustus 2025 [1] van de voorzieningenrechter van de Raad. Verzoekster heeft voorts een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Verzoekster heeft in de loop van de procedure diverse brieven, met bijlagen, ingezonden.
Het Uwv heeft niet gereageerd op beide verzoeken.
De voorzieningenrechter heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig. acht Verzoekster had al te kennen gegeven dat zij, gelet op haar medische en financiële omstandigheden, niet ter zitting zou verschijnen. Niettemin is partijen verzocht om te reageren als zij een zitting wenselijk achten. Partijen hebben daarop niet gereageerd. Daarom heeft de voorzieningenrechter de zaak niet op een zitting behandeld en is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Bij brief van 23 april 2019 heeft verzoekster het Uwv verzocht haar per 31 oktober 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, gebaseerd op een eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 1 november 1998.
1.2.
Bij besluit van 14 juni 2019 heeft het Uwv verzoekster met ingang van 23 oktober 2002 alsnog een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, en bepaald dat deze per 21 september 2018 tot uitbetaling komt. Verzoekster heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen dit besluit.
1.3.
Verzoekster heeft op – onder meer – 4 februari 2022 verzocht om terug te komen van het besluit van 14 juni 2019. Verzoekster heeft verzocht haar WAO-uitkering reeds per 23 oktober 2002 tot uitbetaling te laten komen en haar dagloon, met toepassing van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder, mede te baseren op haar inkomsten als directeur-grootaandeelhouder (DGA).
1.4.
Bij besluit van 22 juli 2022 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 14 juni 2019. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat verzoekster als DGA niet verzekerd was voor de WAO, zodat de inkomsten als DGA niet betrokken kunnen worden bij de vaststelling van het WAO-dagloon.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 31 mei 2023 heeft het Uwv het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 22 juli 2022 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het standpunt gehandhaafd dat het niet mogelijk is om het WAO-dagloon (mede) te baseren op de inkomsten van verzoekster als DGA, omdat zij als DGA niet verzekerd was op grond van de WAO.
1.6.
Tijdens de beroepsprocedure tegen het besluit van 31 mei 2023 heeft het Uwv op 20 maart 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Het Uwv heeft bepaald dat de WAO-uitkering van verzoekster alsnog met vijf jaar terugwerkende kracht, per 21 september 2013, tot uitbetaling komt. Het verzoek van verzoekster om nog verder terugwerkende kracht te verlenen tot 23 oktober 2002 heeft het Uwv afgewezen. Het Uwv heeft verder het standpunt gehandhaafd dat er geen aanleiding is om het WAO-dagloon te verhogen en mede te baseren op de inkomsten van verzoekster als DGA.
1.7.
Bij uitspraak van 9 juli 2024 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 31 mei 2023 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 20 maart 2024 ongegrond verklaard.
De uitspraak van de Raad van 21 augustus 2025
2. Bij zijn uitspraak van 21 augustus 2025 [2] heeft de voorzieningenrechter van de Raad de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Het standpunt van verzoekster
3. Verzoekster heeft in de kern gesteld dat de uitspraak van 21 augustus 2025 onjuist is, omdat deze berust op innerlijk tegenstrijdige feiten en daardoor geen deugdelijke motivering bevat. Bovendien gaat die uitspraak geheel voorbij aan wat zij in die procedure heeft aangevoerd. Verzoekster heeft (onder meer) als nieuw feit in de zin van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemd dat pas in 2019 duidelijk is geworden dat tijdens haar zwangerschap in 2002/2003 sprake was van een carnitinedeficiëntie, die van invloed is op de juist vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, en dat de specifieke risico’s tijdens zwangerschap en bevalling pas in 2024 onder de aandacht zijn gekomen. Ook heeft verzoekster gesteld dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geweigerd prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU). Verzoekster heeft verzocht de uitspraak te herzien en (onder meer) het Uwv op te dragen alsnog per 1 juli 2002 een WAO-uitkering toe te kennen en het WAO-dagloon te corrigeren. Verzoekster heeft ook gesteld dat zij al jaren is geraakt door de fraudejacht, als ouder en ondernemer in de kinderopvang, als chronisch zieke en als bijstandsgerechtigde alleenstaande moeder. Verzoekster heeft er tot slot op gewezen dat zij ter zitting van 14 augustus 2025 werd overvallen door het feit dat niet alleen de voorlopige voorziening werd behandeld maar ook de hoofdzaak, wat in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoekster heeft gevraagd, gelet op het feit dat de deurwaarder is ingezet en haar woning ontruimd wordt, om bij wege van voorlopige voorziening onder meer te bepalen dat het Uwv per direct een voorschot uitkeert van € 2.500,-.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
Het verzoek om herziening en het verzoek om voorlopige voorziening
4.1.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en;
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
4.1.2.
Op grond van artikel 8:119, tweede lid, van de Awb is titel 8.3 voor zover nodig van overeenkomstige toepassing. Op grond van, het in titel 8.3 opgenomen, artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.1.3.
Op grond van artikel 8:119, tweede lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.1.3 bedoelde situatie zich voordoet. Er is geen sprake van beletselen om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
4.3.
Het bijzondere rechtsmiddel van herziening dient er niet toe om een hernieuwde discussie te voeren en ook niet om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Ook een vermeende onjuiste rechtsopvatting kan niet als grond dienen voor herziening. [3] In beginsel kunnen slechts aangelegenheden van feitelijke aard als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb tot herziening leiden. Dit kan bovendien uitsluitend als is voldaan aan de strikte, cumulatieve voorwaarden van artikel 8:119 van de Awb. Dat is vaste rechtspraak. [4]
4.4.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, dat wil zeggen feiten en omstandigheden die verzoekster voor de uitspraak niet bekend waren en haar voor die uitspraak ook niet redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Er is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor herziening. Met wat verzoekster aan haar verzoek om herziening ten grondslag heeft gelegd, beoogt zij in feite een hernieuwde discussie te voeren over de datum van toekenning van haar WAO-uitkering, haar WAO-dagloon en het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ-EU. Uit wat in 4.3 is overwogen, volgt dat het middel van herziening daarvoor niet is bedoeld. Het verzoek om herziening zal daarom worden afgewezen. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat onder de hiervoor genoemde omstandigheden geen grond zodat dat verzoek eveneens wordt afgewezen.
Vervallenverklaring?
4.5.
Met de stelling dat zij ter zitting van 14 augustus 2025 werd overvallen door het feit dat niet alleen de voorlopige voorziening werd behandeld maar ook de hoofdzaak, wat volgens haar in strijd is met artikel 6 van het EVRM, lijkt verzoekster te stellen dat sprake is van schending van fundamentele procedurevoorschriften die moet leiden tot een vervallenverklaring van de uitspraak van 21 augustus 2025.
4.6.
De Raad kan een door hem gedane uitspraak vervallen verklaren indien blijkt dat een belanghebbende aantoonbaar en in zodanige mate in zijn processuele belang is geschaad doordat de Raad een voorschrift van openbare orde niet in acht heeft genomen, dat ten gevolge daarvan moet worden vastgesteld dat de uitspraak die het betreft niet rechtmatig tot stand is gekomen. Dat is vaste rechtspraak. [5]
4.7.
Zoals in 4.1.3 is vermeld kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Artikel 8:86, derde lid, van de Awb bepaalt dat partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, worden gewezen op de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
4.8.
Partijen zijn in de uitnodiging van 6 augustus 2025 voor de zitting van 14 augustus 2025 in het kader van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, in strijd met artikel 8:86, derde lid, van de Awb, niet gewezen op de bevoegdheid van de voorzieningenrechter om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Echter, de Raad heeft, naar aanleiding van een vraag van het Uwv over de aard en de inhoud van de zitting van 14 augustus 2025, het Uwv bij brief van 12 augustus 2025 medegedeeld dat de rechter op grond van artikel 8:86 van de Awb na de zitting de bodemzaak kan afdoen als een verder onderzoek niet nodig is, dat dat ook geldt voor deze voorlopige voorziening, en dat het dossier dus ook inhoudelijk aan de orde zal worden gesteld. Een kopie van deze brief is op 12 augustus 2025 toegestuurd aan verzoekster. Materieel is daarmee voldaan aan de verplichting van artikel 8:86, derde lid, van de Awb. Daarnaast is de stelling van verzoekster dat zij tijdens de zitting van 14 augustus 2025 is overvallen, omdat ook de hoofdzaak werd behandeld, in strijd met haar procesgedrag. Zo heeft verzoekster de voorzieningenrechter op 11 augustus 2025 dringend verzocht om de ruimte te benutten om het gehele geschil in één keer te beslechten, en heeft zij de voorzieningenrechter op 13 augustus 2025 (om 01:19 uur) een aanvullende pleitnotitie van 26 pagina’s toegestuurd, die voornamelijk bestaat uit argumenten in de hoofdzaak. Ter zitting op 14 augustus 2025 heeft verzoekster geen bezwaar gemaakt toen werd uitgelegd dat ook de hoofdzaak zou worden behandeld. Voor een vervallenverklaring van zijn uitspraak van 21 augustus 2025 ziet de Raad dan ook geen aanleiding. [6]

Conclusie en gevolgen

5. Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het verzoek om herziening wordet afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van 21 augustus 2025 van de voorzieningenrechter in stand blijft. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt eveneens afgewezen.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
  • wijst het verzoek om herziening af;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.CRvB 21 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1264.
2.CRvB 21 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1264.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1615 en 19 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2257.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 7 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1182.
5.Zie bijvoorbeeld uitspraken van de Raad van 24 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD9151 en 14 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2606.
6.Vergelijk de uitspraak van de Raad van 18 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2477, onder 2.4.12.4.2.