ECLI:NL:CRVB:2025:1718
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering persoonsgebonden budget wegens niet geleverde zorg
Appellant, een persoon met een zware vorm van het downsyndroom, ontving sinds eind 2015 een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg. Het zorgkantoor ontving in juni 2022 een melding dat zorgverleners niet de overeengekomen zorg verleenden. Een onderzoek volgde, waaruit bleek dat de zorgverleners niet daadwerkelijk zorg hadden geleverd zoals overeengekomen.
Op basis van deze bevindingen trok het zorgkantoor het pgb per 1 april 2023 in, stelde het pgb over 2022 lager vast, wijzigde de vaststelling over 2021 en vorderde het teveel betaalde bedrag terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde het besluit.
In hoger beroep betoogde appellant dat de zorgverleners wel zorg hadden verleend, maar de Raad oordeelde dat de verklaringen en onderzoeksbevindingen dit niet ondersteunen. De Raad vond het zorgkantoor bevoegd en zorgvuldig in haar besluiten en oordeelde dat de belangenafweging houdbaar was.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot intrekking en terugvordering van het pgb blijft in stand.