ECLI:NL:CRVB:2025:174
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk ondanks CVS-klachten
Appellant, werkzaam als medewerker marketingcommunicatie, meldde zich ziek met chronische vermoeidheidsklachten en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering omdat appellant volgens een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige geschikt werd geacht voor zijn eigen werk en meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen.
Appellant betwistte dit en verwees naar het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) en diverse richtlijnen en adviezen, waaronder die van de Gezondheidsraad. De rechtbank liet een deskundigenonderzoek uitvoeren, waaruit bleek dat appellant lichamelijke beperkingen heeft, maar medisch gezien geschikt is voor zijn eigen werk. De deskundigen vonden geen psychiatrische stoornissen en concludeerden dat de beperkingen in lijn zijn met de Functionele Mogelijkhedenlijst.
Appellant voerde hoger beroep aan met nieuwe rapporten, maar deze werden wegens te late indiening buiten beschouwing gelaten. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het UWV de uitkering terecht had beëindigd, omdat de medische problematiek voldoende was erkend en appellant passend geschikt was bevonden voor zijn eigen werk.
De Raad benadrukte dat de verzekeringsartsen de geldende richtlijnen correct toepasten en dat de subjectieve klachtenbeleving niet leidend kan zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de ZW-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering omdat appellant terecht geschikt is bevonden voor zijn eigen werk.