ECLI:NL:CRVB:2025:1754
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WW-, ZW- en WIA-uitkeringen wegens niet gemelde werkzaamheden
Appellant ontving tussen 2013 en 2019 uitkeringen op grond van de WW, ZW en Wet WIA. Naar aanleiding van een fraudemelding in 2019 startte het Uwv een onderzoek waaruit bleek dat appellant werkzaamheden verrichtte die niet aan het Uwv waren gemeld. Hierdoor was het recht op uitkering niet vast te stellen en werden de uitkeringen ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank stelde vast dat de intrekkingsbesluiten rechtsgeldig waren en handhaafde de terugvordering. Appellant voerde aan dat het Uwv eerder onderzoek had gedaan in 2014 en 2016 en dat het Uwv onvoldoende zorgvuldig had gehandeld, waardoor de terugvordering onredelijk hoog was en grote persoonlijke gevolgen had.
De Raad oordeelde dat het Uwv geen aandeel had in de oorzaak van de terugvordering en dat appellant zijn werkzaamheden niet had gemeld. De Raad bevestigde dat het Uwv verplicht is onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen, tenzij dringende redenen aanwezig zijn. Die dringende redenen waren niet aannemelijk gemaakt. Er werd een betalingsregeling getroffen en het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de WW-, ZW- en WIA-uitkeringen en wijst het hoger beroep van appellant af.