Verzoeker ontvangt sinds 1999 een WAO-uitkering en heeft meerdere keren verzocht om herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid, waarbij het Uwv steeds heeft geoordeeld dat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd. Na afwijzing door het Uwv en de rechtbank, bevestigde de Raad van 2 [X] 2025 deze afwijzing.
Verzoeker stelde dat het medisch onderzoek in Thailand onzorgvuldig was omdat een arts in opdracht van het Uwv en niet het Thaise bevoegde orgaan had onderzocht, waardoor volgens hem een spreekuurcontact met een verzekeringsarts van het Uwv had moeten plaatsvinden. Hij bracht nieuwe bewijsstukken in die de procedure en situatie voorafgaand aan de uitspraak nader toelichten.
De Raad oordeelt dat deze nieuwe stukken wel feiten betreffen die voor de uitspraak niet bekend waren, maar dat deze geen andere uitspraak zouden rechtvaardigen omdat het onderzoek door een ervaren arts in opdracht van het Uwv is verricht en een verzekeringsarts van het Uwv het rapport heeft beoordeeld. Ook is er geen schending van de redelijke termijn, aangezien de herzieningsprocedure binnen twee jaar is afgerond.
Daarom wijst de Raad het verzoek om herziening en het verzoek om schadevergoeding af. De eerdere uitspraak van de Raad blijft daarmee ongewijzigd.