Appellante, na een hersenoperatie in 2011 en diverse klachten, vroeg meerdere keren een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkeringen per 17 mei 2018 en 1 juli 2019, stellende dat de toegenomen klachten voortkwamen uit een andere ziekteoorzaak dan waarvoor zij eerder de wachttijd had doorlopen. Appellante betwistte dit en stelde dat de klachten voortvloeiden uit dezelfde ziekteoorzaak, onderbouwd met medische rapporten waaronder van cardioloog Van Campen.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het UWV niet overtuigend heeft aangetoond dat de vermoeidheids- en mentale klachten in 2018 en 2019 een andere oorzaak hebben dan de klachten voorafgaand aan 2016. De Raad wijst erop dat de klachten consistent zijn en medisch geobjectiveerd.
De Raad draagt het UWV op om binnen zes weken de besluiten te herstellen door een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst op te stellen en een arbeidskundig onderzoek te laten uitvoeren om de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw vast te stellen. De beslissing over schadevergoeding wegens termijnoverschrijding en proceskosten wordt aangehouden tot de einduitspraak.