ECLI:NL:CRVB:2025:1898

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
23/166 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag individuele inkomenstoeslag wegens geen langdurig laag inkomen

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de afwijzing van een aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag door het dagelijks bestuur van Laborijn. De appellant, die tot oktober 2019 bijstand ontving op grond van de Participatiewet, had in de referteperiode van 5 mei 2019 tot 5 mei 2022 een inkomen dat hoger was dan de toepasselijke bijstandsnorm. De aanvraag werd afgewezen omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarde van een langdurig laag inkomen. Appellant stelde dat zijn gemiddelde inkomen over 36 maanden in aanmerking genomen had moeten worden, maar de Raad oordeelde dat de beoordeling op jaarbasis moest plaatsvinden. De Raad bevestigde de afwijzing van de aanvraag, omdat het inkomen van appellant in 2020 aanzienlijk boven de bijstandsnorm lag, en er geen sprake was van een marginale overschrijding. De rechtbank Gelderland had eerder de afwijzing van de aanvraag gegrond verklaard, maar de Raad heeft deze beslissing in stand gelaten. Appellant kreeg geen vergoeding voor proceskosten en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven.

Uitspraak

23/166 PW
Datum uitspraak: 16 december 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 januari 2023, 22/5183 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van Laborijn (dagelijks bestuur)

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de afwijzing van een aanvraag van appellant om een individuele inkomenstoeslag. Het dagelijks bestuur heeft de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet aan de voorwaarde voldoet dat hij een langdurig laag inkomen heeft. Appellant heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur ter beoordeling van zijn aanvraag zijn gemiddelde inkomen in de gehele referteperiode van drie jaar voorafgaand aan de aanvraag in aanmerking had moeten nemen, in plaats van zijn inkomen op jaarbasis. Appellant krijgt daarin geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend. Ook heeft het dagelijks bestuur schriftelijke vragen van de Raad beantwoord. Appellant heeft gereageerd op het antwoord van het dagelijks bestuur.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 september 2025. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G. Kelderman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving tot oktober 2019 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) en daarna inkomsten uit arbeid, al dan niet aangevuld met bijstand. In een aantal maanden in 2021 en 2022 had hij geen, althans geen geregistreerd inkomen. Appellant heeft op 5 mei 2022 een individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36 van de PW aangevraagd.
1.2.
Met een besluit van 15 juni 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 28 november 2022 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant niet aan de voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor een individuele inkomenstoeslag. Appellant heeft namelijk geen langdurig laag inkomen, omdat hij in de referteperiode, die loopt van 5 mei 2019 tot en met 5 mei 2022, een inkomen heeft ontvangen dat hoger was dan de toepasselijke bijstandsnorm. Zijn inkomen heeft al in (december) 2020 deze inkomensgrens overschreden. Die overschrijding was meer dan een marginale overschrijding. Hierdoor was zijn inkomen op jaarbasis, en daarmee in de laatste drie jaren voorafgaand aan zijn aanvraag, hoger dan de bijstandsnorm.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten. Daarmee heeft de rechtbank de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De rechtbank heeft terecht de afwijzing van de aanvraag in stand gelaten. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Om in aanmerking te kunnen komen voor een individuele inkomenstoeslag moet sprake zijn van een langdurig laag inkomen. Dit volgt uit artikel 36, eerste lid, van de PW. In artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag. In het tweede lid van dat artikel is over die regels bepaald dat deze in ieder geval betrekking hebben op de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen. De gemeenten zijn vrij in de wijze waarop zij invulling geven aan het begrip ‘laag inkomen’. [1] In dit geval is in artikel 3 van de Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Doetinchem 2016 (Verordening) bepaald dat aan de in artikel 36, eerste lid, van de PW gestelde voorwaarde is voldaan als gedurende de referteperiode het inkomen niet hoger is dan 100% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm. Een marginale overschrijding vormt hierbij geen belemmering.
4.2.
Appellant heeft ten eerste, kort samengevat weergegeven, aangevoerd dat het dagelijks bestuur het gemiddelde inkomen over 36 maanden tot uitgangspunt had moeten nemen. In dat geval zou appellant namelijk wél een inkomen beneden de grens van 100% van de bijstandsnorm hebben gehad. Het is volgens appellant dan ook oneerlijk dat het dagelijks bestuur zijn inkomen over één jaar als uitgangspunt heeft genomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2.1.
Zoals de rechtbank heeft overwogen, volgt uit artikel 3 van de Verordening en de toelichting daarop dat voor de beoordeling of sprake is van een langdurig laag inkomen het feitelijk genoten inkomen op jaarbasis in de referteperiode bepalend is. Als dat inkomen op jaarbasis lager of gelijk is aan het bedrag van de toepasselijke bijstandsnorm op jaarbasis, vermeerderd met het bedrag van de individuele inkomenstoeslag dat voor die periode van toepassing is, is sprake van een langdurig laag inkomen. In het geval van appellant is het inkomen over 2020 veel hoger dan de voor hem geldende bijstandsnorm, vermeerderd met het bedrag van de individuele inkomenstoeslag dat voor die periode van toepassing was. Niet in geschil is namelijk dat het totale inkomen van appellant in het jaar 2020, bestaande uit inkomsten uit arbeid en over drie maanden ook nog aanvullende bijstand, in totaal € 16.882,84 bedroeg, de bijstandsnorm voor een alleenstaande in dat jaar in totaal € 12.668,10 en de individuele inkomenstoeslag € 409,-.
4.2.2.
Voor de uitleg van appellant dat moet worden uitgegaan van een gemiddeld inkomen over 36 maanden is geen enkel aanknopingspunt te vinden in de Verordening en de toelichting daarop. De enkele omstandigheid dat appellant een berekening op jaarbasis als oneerlijk ervaart, maakt niet dat die uitleg zou moeten worden gevolgd.
4.3.
Verder heeft appellant aangevoerd dat het dagelijks bestuur had moeten uitgaan van een marginale overschrijding van € 2.000,-. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
4.3.1.
Nog daargelaten dat de door appellant voorgestane hoogte van de marginale overschrijding hem niet zou baten, gezien zijn inkomen over 2020, heeft hij niet onderbouwd waarop het door hem genoemde bedrag van € 2.000,- is gebaseerd. In de toelichting op artikel 3 van de Verordening staat dat sprake is van een marginale overschrijding als het totale inkomen op jaarbasis niet meer bedraagt dan de voor dat jaar voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm vermeerderd met het bedrag van de individuele inkomenstoeslag die voor die periode van toepassing is. In de Uitvoeringsregels individuele inkomenstoeslag is vermeld dat de hoogte van de individuele inkomenstoeslag voor een alleenstaande in het jaar 2020 € 409,- bedroeg. Daaruit volgt dat de hoogte van de marginale overschrijding € 409,- bedraagt. Gelet op het inkomen van appellant in 2020 staat vast dat geen sprake is van een marginale overschrijding in de zin van artikel 3 van de Verordening.
4.4.
Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat zijn inkomen over het jaar 2020 moet worden verlaagd met een door het dagelijks bestuur van appellant teruggevorderde bedrag van € 2.101,- over dat jaar. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
4.4.1.
Het feit dat het dagelijks bestuur € 2.101,- over 2020 heeft teruggevorderd van appellant, neemt niet weg dat appellant in 2020 wel feitelijk over dat bedrag heeft kunnen beschikken. Dit nog daargelaten dat ook als het dagelijks bestuur rekening zou houden met het over 2020 teruggevorderde bedrag, het inkomen van appellant nog steeds hoger is dan de marginale overschrijding van de toepasselijke bijstandsnorm op jaarbasis.

Conclusie en gevolgen

4.5.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt daarom bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om individuele inkomenstoeslag in stand blijft.
5. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en M.F. Wagner en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
(getekend)W.F. Claessens
(getekend) L. van Beelen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels

Participatiewet
Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b
De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot het verlenen van een individuele inkomenstoeslag, als bedoeld in artikel 36.
Artikel 8, tweede lid
De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben voor zover het gaat om het eerste lid, onderdeel b, in ieder geval betrekking op de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen.
Artikel 32, eerste lid
1. Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
Artikel 36, eerste lid
Op een daartoe strekkend verzoek van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, kan het college, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag verlenen.
Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Doetinchem 2016
Artikel 1, tweede lid
In deze verordening wordt verstaan onder:
a. inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand;
b. peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt;
c. referteperiode: periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum.
Artikel 3
Aan de in artikel 36, eerste lid van de wet gestelde voorwaarde van het hebben van een langdurig, laag inkomen is voldaan als gedurende de referteperiode het inkomen niet hoger is dan 100% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm. Een marginale overschrijding vormt hierbij geen belemmering.
In de toelichting op artikel 3 van de Verordening staat:
Het begrip ‘langdurig, laag inkomen’ wordt in deze verordening ingevuld als een inkomen dat gemiddeld niet hoger is dan 100% van de bijstandsnorm. Marginale overschrijdingen van deze 100%-grens dienen genegeerd te worden (zie CRvB 19-08-2008, nrs. 06/1163 Wwb e.a.). Er is sprake van marginale overschrijding als het totale inkomen op jaarbasis niet meer bedraagt dan de voor dat jaar voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm vermeerderd met het bedrag van de individuele inkomenstoeslag die voor die periode van toepassing is.
Uitvoeringsregels individuele inkomenstoeslag
De hoogte van de individuele inkomenstoeslag bedraagt in 2020 € 409,- voor een alleenstaande.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van 23 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3296, en van 9 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2263.