Appellant ontving een maatwerkvoorziening voor individuele begeleiding op grond van de Wmo 2015 voor de periode van 4 januari 2021 tot en met 31 december 2022. Na een vertrouwensbreuk met de aanbieder heeft het college de maatwerkvoorziening ingetrokken met ingang van 30 augustus 2022. Appellant stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en legde het college op een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd een voorlopige voorziening getroffen waarbij appellant tot de nieuwe beslissing begeleiding ontving.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellant op het moment van uitspraak van de rechtbank geen procesbelang meer had omdat de verstreken periode van de maatwerkvoorziening niet met terugwerkende kracht kan worden toegekend en appellant geen nieuwe aanvraag had ingediend. Hierdoor had de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk en laat het intrekkingsbesluit in stand. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt terugbetaald.