Eiser, die vanwege ADHD en ASS beperkingen ondervindt, ontving vanuit de Jeugdwet 21 uur ambulante jeugdhulp per week. Na zijn achttiende verjaardag vroeg hij voortzetting van deze ondersteuning via de Wmo. Het college kende aanvankelijk 8:15 uur AIO toe op basis van een advies van Argonaut, dat later in bezwaar werd verhoogd naar 15 uur. Eiser maakte bezwaar tegen deze uren en stelde dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de uren zijn verhoogd en waarom het advies van Argonaut zo sterk afwijkt van de eerdere indicatie.
De rechtbank oordeelt dat eiser procesbelang heeft omdat het oordeel over het besluit relevant is voor toekomstige aanvragen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat eiser geen aannemelijke toezeggingen van het college heeft gesteld. Het college heeft het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd, met name over de afwijking van het advies van Argonaut. Daarnaast is het advies van Argonaut onzorgvuldig omdat het niet duidelijk maakt waarom de urenindicatie zo sterk is verlaagd ten opzichte van de Jeugdwet en omdat Argonaut geen aanvullende medische informatie heeft ingewonnen.
Verder is het college terecht uitgegaan van de begrippen gebruikelijke hulp en eigen kracht zoals neergelegd in de Wmo en de gemeentelijke verordening. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de punten uit deze uitspraak in acht worden genomen. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.