Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
[…]
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf februari 2020 bijstand en werd na een signaal onderzocht vanwege ongebruikelijke stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening. Het dagelijks bestuur concludeerde dat deze bedragen als inkomen moesten worden aangemerkt en bracht deze in mindering op de bijstand, wat leidde tot intrekking, herziening en terugvordering van € 13.508,06.
Daarnaast werd een boete van € 647,28 opgelegd wegens het niet melden van deze inkomsten, waarmee appellant de inlichtingenverplichting schond. Appellant voerde aan dat de stortingen geen inkomen waren, dat hij een deel had doorgestort naar een investeringsmaatschappij en dat hij onvoldoende in zijn eigen taal was geïnformeerd over zijn verplichtingen.
De Raad oordeelde dat stortingen en bijschrijvingen ruim onder het middelenbegrip vallen en dat het feit dat appellant bedragen doorgestort had juist aantoonde dat hij er over kon beschikken. Ook het argument dat bedragen van zijn zus niet als inkomen moesten gelden, werd verworpen. De inlichtingenplicht was duidelijk en appellant had voldoende informatie ontvangen. De boete was proportioneel en terecht opgelegd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waarmee de intrekking, herziening, terugvordering en boete in stand blijven. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De intrekking, herziening en terugvordering van de bijstand en de boete worden bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.