Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
a. het inkomen van de echtgenoot van de zelfstandige;
(…)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, ondernemer in de gezondheidszorg, vroeg bijstand aan op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo 1). Het college kende haar een voorschot toe, maar keerde dit later terug omdat haar partner studiefinanciering ontving. Hierdoor werd de partner als niet-rechthebbende aangemerkt en gold een lagere bijstandsnorm volgens artikel 24 van Pro de Participatiewet (PW).
De rechtbank wees het bezwaar van appellante af, waarna zij in hoger beroep ging. Zij stelde dat zij ongelijk werd behandeld ten opzichte van ondernemers met partners in loondienst of partners waarop artikel 78fb van de PW van toepassing is. De Raad oordeelde dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt omdat de regeling op dat moment alle personen met studiefinanciering als niet-rechthebbende partner aanmerkte en dat de wetgever ruime beoordelingsvrijheid heeft.
De Raad benadrukte dat het onderscheid niet discriminerend is omdat het niet op een inherent verdacht criterium berust en dat het doel van het aparte bijstandsregime voor jongeren het terugdringen van jeugdwerkloosheid is. Ook het feit dat ondernemers met partners in loondienst soms bijstand ontvingen ondanks een hoger partnerinkomen, leidt niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering blijft in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de aanvraag en terugvordering van het voorschot blijven in stand.