Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Het college trok deze bijstand in en vorderde de kosten terug wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding en inkomsten uit drugshandel in de periode 1 januari 2016 tot 1 januari 2020. Het college baseerde dit op een anonieme melding, onderzoek door sociale recherche, waarnemingen, bankgegevens, politiemutaties, en een woningdoorzoeking waarbij drugs en contant geld werden aangetroffen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad stelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat appellanten in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden op hetzelfde hoofdverblijf. De enkele aanwezigheid van poststukken, incidentele maaltijdbestellingen, waarnemingen van auto's en foto’s waren onvoldoende om het hoofdverblijf van appellant op adres X te bepalen.
Ook de vermeende inkomsten uit drugshandel werden niet aannemelijk geacht. De strafrechtelijke veroordeling van appellant betrof een latere periode dan de te beoordelen periode, en afwijkingen in het uitgavenpatroon en foto's boden geen toereikende feitelijke grondslag. De Raad vernietigde het bestreden besluit en herroept de eerdere besluiten voor de intrekking over de te beoordelen periode. Het college moet een nieuw besluit nemen over de terugvordering vanaf 1 januari 2020. Appellanten worden in de proceskosten en griffierechten volledig vergoed.