ECLI:NL:CRVB:2025:460
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering wegens niet gemelde zelfstandige inkomsten
Appellante ontvangt sinds 1988 een WAO-uitkering en werkte vanaf 2016 ook als zelfstandig ondernemer zonder dit tijdig aan het Uwv door te geven. Het Uwv heeft daarom de inkomsten uit zelfstandige arbeid geanticumuleerd op haar WAO-uitkering over 1 januari 2016 tot 30 september 2019 en een bedrag van €15.777,51 teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Appellante stelde dat zij erop mocht vertrouwen dat het Uwv via de Belastingdienst bekend was met haar zelfstandige inkomsten en dat zij het Uwv tijdig had geïnformeerd met een brief van juli 2016, maar dit werd niet aannemelijk geacht.
De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht de anticumulatie toepaste en de terugvordering uitvoerde. Er is geen sprake van schending van het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel. Het Uwv heeft voldoende rekening gehouden met de financiële gevolgen door een betalingsregeling te treffen. Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €15.777,51 WAO-uitkering wegens niet tijdig melden van zelfstandige inkomsten.