4.2.Ingevolge artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of op het recht op bijstand.
4.3.1.Appellant heeft aangevoerd dat een wettelijke grondslag voor de verplichting tot het melden van een hennepkwekerij ontbreekt. De inlichtingenverplichting ziet volgens appellant op het melden van relevante inkomsten en niet op de aanwezigheid van een hennepkwekerij. Appellant heeft verder aangevoerd dat er niet van uitgegaan kan worden dat bij een hennepplantage sprake is van op geld waardeerbare werkzaamheden. Het gaat veelal om kwetsbare mensen waar misbruik van wordt gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3.2.De Raad heeft vaker overwogen dat de aanwezigheid van een hennepkwekerij op het woonadres van een betrokkene een omstandigheid is waarvan het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat dit van invloed kan zijn op het recht op bijstand en dat hij het bestuursorgaan daarvan onverwijld mededeling moet doen, ongeacht of uit de exploitatie van die kwekerij inkomsten worden verworven.Dat betekent dus dat ook het niet melden van de aanwezigheid van een hennepkwekerij een schending van de in artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de PW neergelegde inlichtingenverplichting oplevert.
4.3.3.Verder is vaste rechtspraak dat de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning van een betrokkene de vooronderstelling rechtvaardigt dat die betrokkene daarvan exploitant is geweest.Verder is vaste rechtspraak dat bij de exploitatie van een hennepkwekerij ervan moet worden uitgegaan dat in de kwekerij op geld waardeerbare werkzaamheden worden verricht, gericht op het in bedrijf houden van de hennepkwekerij, waarmee inkomsten zijn of zouden kunnen worden verworven. Het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden is een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Voor de verlening van bijstand is namelijk niet alleen het inkomen waarover de belanghebbende daadwerkelijk beschikt van belang, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.Daarom bestaat in dit geval een inlichtingenverplichting ook als geen inkomsten zijn verkregen.
Het nemo tenetur-beginsel
4.4.1.Appellant betoogt voorts dat hij zich bij een melding van de aanwezigheid van een hennepkwekerij in zijn woning bloot zou kunnen stellen aan mogelijke strafrechtelijke vervolging, terwijl niemand hoeft mee te werken aan zijn eigen vervolging. De vaste rechtspraak van de Raad op dit punt is volgens appellant toe aan herijking. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
4.4.2.De Raad heeft vaker geoordeeld dat het
nemo tenetur-beginsel niet in de weg staat aan de verplichting voor een bijstandsgerechtigde om informatie te verschaffen ten behoeve van vaststelling van de rechtmatigheid van de bijstand.In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
4.5.1.Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat in de kwekerij een eerdere oogst heeft plaatsgevonden. Appellant stelt dat hij pas in december 2021 met de kwekerij is gestart. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant erop gewezen dat de stroom voor de kwekerij niet illegaal werd afgenomen en zijn elektraverbruik over de periode 15 juli 2021 tot en met 12 april 2022 in totaal 5.431 kWh bedroeg. Appellant heeft aan de hand van een berekening betoogd dat op basis van de in de kwekerij aangetroffen apparatuur en na aftrek van het normale huishoudelijke energieverbruik, kan worden vastgesteld dat de kwekerij ongeveer 50 dagen in werking is geweest. Een oogst is pas mogelijk na 8 tot 12 weken. Dat er sporen van een eerdere kwekerij zijn aangetroffen komt omdat appellant tweedehands materiaal heeft gebruikt. Ter zitting heeft appellant in het kader van deze beroepsgrond nog aangevoerd dat hij aan zijn bewindvoerder elk kwartaal een foto van zijn elektrameter moest toesturen en dat hij dat ook steeds heeft gedaan. Omdat het bewind van appellant met ingang van 1 januari 2022 zou eindigen, hoefde appellant voor het laatst op 27 november 2021 een foto van de meterstand aan zijn bewindvoerder te sturen. Bij appellant is toen de gedachte opgekomen dat hij nu zonder dat de bewindvoerder het zou kunnen zien met hennepteelt zou kunnen beginnen. De Raad heeft na de zitting het onderzoek heropend en appellant in de gelegenheid gesteld om dit standpunt met stukken te onderbouwen. De Raad heeft appellant daarbij verzocht om zijn (voormalig) bewindvoerder te laten bevestigen dat de toelichting die appellant op zitting heeft gegeven over het elk kwartaal insturen van foto’s van de elektrameter bij de bewindvoerder vaste praktijk was. Appellant heeft vervolgens verschillende stukken overgelegd, waarop het college heeft gereageerd. Over deze beroepsgrond wordt het volgende overwogen.
4.5.2.In het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 22 februari 2022 is vermeld dat op basis van onder meer de volgende aangetroffen indicatoren aannemelijk wordt geacht dat er tenminste één keer is geoogst voorafgaand aan de op 17 februari 2022 aangetroffen kweek:
- resten van hennepplanten op waslijnen in de tweede kweekruimte;
- een op kalk gelijkende afzetting op het zeil en op de daartegenaan geplaatste onderzijde van de plantenpotten, die tot dezelfde hoogte kwam;
- vervuilde koolstoffilters, waarbij het filterdoek op de plaats waar het was aangebracht een aanzienlijk lichtere kleur vertoonde ten opzichte van de kleur van het overige filterdoek;
- een niet doorbroken stoflaag op verschillende in beide kweekruimtes aanwezige voorwerpen;
- vuilniszakken en tassen met potgrondresten en wortelresten in de keuken en in de tweede kweekruimte;
- een grote hoeveelheid lege jerrycans op verschillende plekken in de woning, waar normaliter groeimiddel in zit.
4.5.3.De in 4.5.2 genoemde onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat kan worden aangenomen dat de kwekerij voor de ontmanteling op 17 februari 2022 één oogst heeft opgeleverd. Dat het aangetroffen materiaal tweedehands zou zijn heeft appellant – wat daar verder ook van zij – niet aannemelijk gemaakt aan de hand van objectieve gegevens. Het gebruik van tweedehands materiaal zou overigens ook geen verklaring vormen voor bijvoorbeeld de gelijke hoogte van de kalkafzetting op het zeil op de grond en op de potjes, de lichte kleur van de koolstoffilter op de plek waar die was aangebracht, de zakken met potgrond met wortelresten en de aangetroffen resten van droge hennepplanten.
4.5.4.Met de door appellant na de zitting bij de Raad overgelegde stukken heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat er voor 27 november 2021, de datum waarop appellant stelt dat hij een foto van zijn elektrameter aan zijn bewindvoerder heeft gestuurd, geen hennepkwekerij in werking was. De bewindvoerder heeft namelijk twee emailberichten van appellant overgelegd van 12 juli 2021 en van 17 augustus 2021, waarin hij op schrift de meterstanden doorgeeft zonder ondersteunende foto’s. Daarbij zit géén emailbericht van appellant van 27 november 2021. Verder is van belang dat de bewindvoerder van appellant in een emailbericht van 5 november 2024 heeft toegelicht dat het niet gangbaar is dat er foto’s van elektrameters worden ingestuurd en er – anders dan appellant heeft aangevoerd – niet aan cliënten eens per kwartaal om foto’s van meterstanden wordt gevraagd. Het college heeft er in zijn reactie op de door appellant overgelegde stukken nog op gewezen dat het bewind van appellant niet – zoals hij stelt – met ingang van 1 januari 2022 is geëindigd, maar pas per 8 juni 2022. Appellant heeft bij de nadere stukken ook nog een foto van een elektrameter overgelegd en hij stelt dat die foto op 27 november 2021 is gemaakt. Dat kan echter niet uit die foto worden afgeleid, zodat daaraan niet de waarde kan worden gehecht die appellant daaraan gehecht wenst te zien.