ECLI:NL:CRVB:2021:1852
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet melden exploitatie hennepkwekerij
Appellante ontvangt sinds 2001 bijstand en heeft deze over de periode van 28 april tot en met 7 juli 2019 ontvangen. Naar aanleiding van een melding van de politie dat in haar woning een hennepkwekerij was aangetroffen, startte de gemeente een onderzoek. Het college trok daarop de bijstand in en vorderde de kosten terug omdat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door de kwekerij niet te melden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar ex-partner de kwekerij had opgezet en geëxploiteerd en dat zij vanwege bedreigingen geen melding durfde te maken. Deze stelling werd niet onderbouwd en faalde. Ook het betoog dat zij geen inkomsten had genoten werd verworpen, omdat het bestaan van de kwekerij de redelijke veronderstelling rechtvaardigt dat zij betrokken was.
Appellante beriep zich verder op de onschuldpresumptie vanwege een voorwaardelijk sepot in een strafzaak. De Raad oordeelde dat een voorwaardelijk sepot niet gelijkstaat aan een vrijspraak en dat het bestuursrechtelijke besluit losstaat van de strafrechtelijke procedure. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.