ECLI:NL:CRVB:2025:509
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- W.F. Claessens
- J.T.H. Zimmerman
- D.H. Harbers
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende duidelijkheid financiële en woonsituatie
Appellant heeft vanaf 2012 bijstand ontvangen, maar na detentie werd deze ingetrokken. Op 1 april 2019 vroeg hij opnieuw bijstand aan, waarbij hij aangaf in een bepaalde plaats te wonen. Het college onderzocht zijn financiële en woonsituatie, maar vond onvoldoende duidelijkheid. Appellant gaf aan te leven van bedelen en voedsel van derden, zonder vaste woonplaats. Het college wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond en kende appellant een schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de hoorplicht was geschonden en dat de schadevergoeding te laag was, maar deze gronden werden verworpen. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag en dat de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn correct had vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de afwijzing van de bijstandaanvraag en de vastgestelde schadevergoeding. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan op 24 maart 2025 door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over financiële en woonsituatie; schadevergoeding van €500 wegens overschrijding redelijke termijn blijft in stand.