ECLI:NL:CRVB:2025:528
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid op 61,43% door UWV
In deze zaak staat centraal of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van werkneemster per 2 februari 2021 correct heeft vastgesteld op 61,43%. Werkneemster was ziekgemeld met psychische klachten en had voorheen gewerkt als allround medewerker en onderwijsassistent. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige stelde het UWV een praktische schatting vast van 52,60%, waarna een loongerelateerde WGA-uitkering werd toegekend.
De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat de werkzaamheden passend waren en dat het salaris representatief was, waardoor het besluit niet zorgvuldig was voorbereid. Het UWV kreeg de opdracht dit te herstellen door nadere motivering of een nieuwe beslissing op bezwaar. Het UWV nam een nieuw besluit waarbij de arbeidsongeschiktheid op basis van een theoretische schatting werd vastgesteld op 61,43%.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond en vernietigde dit, maar verklaarde het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. De gemeente Haarlem stelde zich op het standpunt dat werkneemster volledig arbeidsongeschikt was en dat het UWV de opdracht van de rechtbank niet juist had uitgevoerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV met het tweede besluit en het nieuwe onderzoek de gebreken heeft hersteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kon niet nader motiveren welke werkzaamheden werkneemster precies verrichtte en viel daarom terecht terug op de theoretische schatting. Het hoger beroep van de gemeente Haarlem slaagt niet en de toekenning van de WIA-uitkering met 61,43% arbeidsongeschiktheid blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van werkneemster terecht is vastgesteld op 61,43%.