ECLI:NL:CRVB:2024:2357
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- S. Wijna
- J.P. Loof
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant, voormalig magazijnmedewerker, ontving sinds januari 2019 een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100% na een verkeersongeval. Na een herbeoordeling door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen stelde het UWV dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is, wat leidde tot een voornemen tot beëindiging van de uitkering per 3 april 2022.
Appellant betwistte de arbeidskundige beoordeling en stelde dat hij de geselecteerde functies niet kon vervullen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat het UWV bevoegd was tot herbeoordeling, ook buiten de aangevoerde gronden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep had passende functies geselecteerd op basis van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS).
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de gronden van appellant herhalingen waren en dat geen reden bestond om te twijfelen aan de juistheid van de arbeidskundige beoordeling. De beëindiging van de WIA-uitkering blijft daarmee in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 3 april 2022 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.