ECLI:NL:CRVB:2025:611
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering herziening WIA-dagloon wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant verzocht het UWV om herziening van het vastgestelde WIA-dagloon, omdat hij meende dat het dagloon onevenredig laag was en dat de gehele looptijd van zijn arbeidscontract in aanmerking genomen moest worden. Het UWV weigerde dit verzoek omdat de gewijzigde polisadministratie van de ex-werkgever geen aanleiding gaf tot herziening, aangezien de uitbetaling van loon niet overeenkwam met de gewijzigde gegevens.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV. Appellant stelde dat de rechtbank onvoldoende op zijn beroepsgronden was ingegaan en verwees naar het onevenredige karakter van de strikte toepassing van het Dagloonbesluit. Hij vroeg de Raad rekening te houden met een rapport waarin de gevolgen van het lage dagloon werden gesignaleerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het verzoek van appellant een herhaalde aanvraag betreft waarop artikel 4:6 van Pro de Awb van toepassing is. Het UWV heeft terecht geoordeeld dat de gewijzigde polisadministratie een nieuw feit is, maar dat dit geen aanleiding geeft tot herziening van het oorspronkelijke besluit. De Raad ziet geen grond om het besluit evident onredelijk te achten en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De weigering tot herziening van het dagloon blijft daarmee in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om het WIA-dagloon te herzien wegens ontbreken van nieuwe feiten.