Appellante ontving bijstand die in 2004 werd ingetrokken en teruggevorderd wegens het niet melden van een gezamenlijke bankrekening met een groot saldo. In 2020 verzocht zij om herziening van dit besluit, stellende dat nieuw feiten waren opgedoken die haar beschikkingsmacht over de rekening betwistten.
De rechtbank oordeelde dat er weliswaar sprake was van een nieuw feit, maar dat dit het college geen aanleiding gaf tot herziening. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt vast dat uit het proces-verbaal en het arrest van het hof niet volgt dat appellante geen mederekeninghoudster was of niet over het tegoed kon beschikken.
Appellante voerde verder aan dat zij slechts recht had op een deel van het contante geld dat bij haar werd aangetroffen, maar dit werd niet als nieuw feit erkend omdat het niet tijdig was ingebracht. De Raad wijst het hoger beroep af, maar veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoedt proceskosten van €437,50 aan appellante.