ECLI:NL:CRVB:2025:618
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet-gemeld langdurig verblijf in buitenland
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet maar verbleef in 2018, 2019 en 2020 langer dan 28 dagen per jaar in het buitenland zonder dit te melden aan het college. Het college trok de bijstand over deze periodes in en vorderde de kosten terug. De rechtbank vernietigde de terugvordering over een korte periode in augustus 2019, maar liet de overige terugvorderingen in stand.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat er dringende redenen waren om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, onder meer vanwege dwang door haar ex-partner en financiële gevolgen. De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat de schending van de inlichtingenverplichting haar niet te verwijten viel en dat de financiële gevolgen niet tot een andere belangenafweging leidden.
De Raad bevestigde dat het college op grond van artikel 58 PW Pro verplicht is terug te vorderen bij niet-naleving van de inlichtingenplicht, tenzij dringende redenen aanwezig zijn. De belangenafweging van het college was niet onevenwichtig. De terugvordering bleef daarom gehandhaafd. Appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wegens niet-gemeld langdurig verblijf in het buitenland blijft gehandhaafd.