ECLI:NL:CRVB:2025:740
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens verblijf buitenland en oplegging boete
Appellant ontving een WW-uitkering van 31 december 2018 tot en met 20 mei 2019. Het UWV trok deze uitkering in en vorderde deze terug omdat appellant buiten Nederland verbleef anders dan wegens vakantie, namelijk in België. Tevens legde het UWV een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij voornamelijk in Nederland verbleef en dat hij de vragen tijdens het onderzoek niet goed begreep vanwege taalproblemen. Ook stelde hij dat de intrekking en boete onevenredig waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in België verbleef, mede op basis van verklaringen, bankafschriften en het laatst bekende adres. Het gebruik van een tolk tijdens het gesprek weerlegt het verweer van appellant over taalproblemen. De Raad bevestigt dat de intrekking en terugvordering terecht zijn en dat er geen dringende redenen zijn om hiervan af te zien.
Ook de boete wegens schending van de inlichtingenplicht is terecht opgelegd en proportioneel vastgesteld op €40,- rekening houdend met de financiële situatie van appellant. Het hoger beroep wordt verworpen en de besluiten blijven in stand.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WW-uitkering en de boete van €40,- worden bevestigd en het hoger beroep wordt verworpen.