Appellante had een WW-uitkering ontvangen over de periode 1 juli 2021 tot en met 30 september 2021 na beëindiging van haar dienstverband bij twee B.V.'s. Het UWV startte een onderzoek naar een mogelijk gefingeerd dienstverband, waarbij onder meer gesprekken met de stiefvader van appellante en informatie van de Kamer van Koophandel en Belastingdienst werden betrokken.
Op basis van het onderzoek trok het UWV de WW-uitkering in en vorderde het de onverschuldigd betaalde bedragen terug, omdat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De rechtbank bevestigde dit standpunt, stellende dat appellante geen bewijs leverde van feitelijke arbeid en dat de loonbetalingen onregelmatig waren. Ook de gezagsverhouding was onduidelijk.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien, onder meer vanwege de Corona-pandemie en financiële situatie van de werkgever. De Raad oordeelde echter dat het UWV voldoende zorgvuldig had onderzocht en dat appellante onvoldoende tegenbewijs had geleverd.
De Raad stelde dat de intrekking en terugvordering terecht waren en dat geen dringende redenen bestonden om hiervan af te zien. Het vertrouwen van appellante in de toekenning van de uitkering kon niet leiden tot een andere uitkomst. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak bevestigd.