ECLI:NL:CRVB:2025:824
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid ondanks medische omstandigheden
Appellant was in dienst als taxichauffeur op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd binnen een gemeentelijk re-integratietraject. Hij nam op eigen initiatief ontslag wegens medische klachten en hoge werkdruk, waarna hij een WW-uitkering aanvroeg. Het Uwv weigerde de uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden, omdat geen medisch advies tot ontslag was gegeven.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde het besluit van het Uwv. Appellant stelde in hoger beroep dat hij op de Spoedeisende Hulp was geadviseerd te stoppen met werken en dat het Uwv onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn medische situatie en psychische toestand. Tevens voerde hij aan dat het evenredigheidsbeginsel werd geschonden door de volledige weigering van de uitkering.
De Raad oordeelde dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de medische stukken bleek dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van appellant kon worden gevergd. Er was geen medisch advies tot ontslag. De hoge werkdruk en stress waren onvoldoende onderbouwd en appellant had zich ziek kunnen melden. Het beroep faalde, het bestreden besluit werd bevestigd en het Uwv werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het besluit was wel in strijd met Awb-artikelen 3:2 en 7:12 genomen, maar dit werd gepasseerd omdat appellant niet benadeeld was.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden zonder medisch advies tot ontslag.