Appellant ontving sinds 2008 bijstand en werd in 2022 geconfronteerd met intrekking en terugvordering van bijstand over bijna tien jaar wegens schending van de inlichtingenverplichting. Het college stelde vast dat appellant veelvuldig naar het buitenland reisde zonder dit te melden, een onbekende inkomstenbron had en op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte voor bedrijf X, zonder dat hierover voldoende inzicht werd gegeven.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat het recht op bijstand, al dan niet schattenderwijs, wel vastgesteld kon worden en dat de terugvordering onterecht was. De Raad oordeelde dat de intrekking terecht was vanwege onvoldoende onderbouwing van de reizen, inkomsten en werkzaamheden. Het college mocht het recht op bijstand niet vaststellen vanwege de schending van de inlichtingenverplichting.
Wel werd erkend dat er dringende redenen waren om over de laatste 24 maanden van de terugvordering af te zien. De Raad vernietigde het besluit over de hoogte van de terugvordering en droeg het college op een nieuwe beslissing te nemen. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Appellanten kregen een vergoeding voor proceskosten en griffierecht.