AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging intrekking en terugvordering ANW-uitkering na huwelijk met boete wegens schending inlichtingenplicht
Appellant ontving vanaf oktober 2016 een ANW-uitkering na het overlijden van zijn echtgenote. Na zijn huwelijk in 2021 werd vastgesteld dat hij geen recht meer had op de uitkering. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) trok de uitkering met terugwerkende kracht in en vorderde het ten onrechte ontvangen bedrag van €25.204,29 terug, met een boete van €5.800 wegens het niet tijdig melden van het huwelijk.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de intrekking niet-ontvankelijk, maar vernietigde dit later en oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden. De rechtbank handhaafde de intrekking, terugvordering en boete, en stelde de aflossingscapaciteit vast op €481 per maand.
Appellant voerde aan dat hij niet wist dat hij het huwelijk moest melden en dat de terugvordering hem financieel zwaar trof. De Raad oordeelde dat het redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat het huwelijk invloed had op de uitkering en dat appellant zijn mededelingsplicht had geschonden. Er waren geen dringende redenen om af te zien van intrekking, terugvordering of boete. De boete werd terecht vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking, terugvordering en boete blijven in stand omdat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden zonder dringende redenen voor matiging.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 juli 2024, 23/3442 en 24/1799 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 22 januari 2026
SAMENVATTING
In deze zaak gaat het om de herziening en terugvordering van de ANW-uitkering van appellant en de opgelegde boete. De Raad is van oordeel dat geen sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van de herziening en/of terugvordering af te zien. Ook de opgelegde boete blijft in stand. Er is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid en de boete is niet onevenredig.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 december 2025. Appellant is verschenen, in het bijzijn A. Salhi als tolk, bijgestaan door mr. Boon. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Stahl.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt vanaf 1 oktober 2016 een ANW [1] -uitkering in verband met het overlijden van zijn toenmalige echtgenote. Op 28 april 2023 heeft de Svb een systeemmelding vanuit de BRP [2] ontvangen waarin is vermeld dat appellant op [datum] 2021 is gehuwd.
1.2.
Met een besluit van 11 mei 2023 heeft de Svb de ANW-uitkering van appellant met ingang van 1 augustus 2021 ingetrokken, omdat hij op [datum] 2021 is gehuwd en daarom niet meer aan de voorwaarden voor een ANW-uitkering voldoet.
1.3.
Met een besluit van 15 juni 2023 heeft de Svb de ten onrechte betaalde ANWuitkering over de periode van 1 augustus 2021 tot en met 30 april 2023 ten bedrage van € 25.204,29 teruggevorderd. Ook heeft de Svb aan appellant een boete opgelegd van € 5.800,-, omdat hij zijn huwelijk niet op tijd aan de Svb heeft doorgegeven. De boete is 50% van het benadelingsbedrag, met een maximum van € 5.800,-.
1.4.
Met een besluit van 23 november 2023 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar tegen de intrekking niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant onverschoonbaar te laat bezwaar heeft gemaakt. Het bezwaar tegen de terugvordering en de boete is ongegrond verklaard. Volgens de Svb heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden. Er zijn geen redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien of de boete te verlagen.
1.5.
Met een besluit van 30 november 2023, gewijzigd bij besluit van 22 maart 2024 (bestreden besluit 2) heeft de Svb bepaald dat appellant met ingang van 1 december 2023 € 481,- per maand moet terugbetalen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, omdat de Svb op zitting is teruggekomen van de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de intrekking. Het bestreden besluit 1 is in zoverre vernietigd en voor het overige is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en geoordeeld dat appellant door zijn huwelijk niet bij de Svb te melden zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het huwelijk van invloed kon zijn op de ANW-uitkering. De Svb heeft terecht de ANW-uitkering ingetrokken en het ten onrechte ontvangen bedrag teruggevorderd. Niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering moet worden afgezien. Nu appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, was de Svb gehouden een boete op te leggen. Van een verminderde verwijtbaarheid is niet gebleken. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de Svb terecht de aflossingscapaciteit van appellant heeft vastgesteld op € 481,- per maand.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft aangevoerd dat geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. Het had appellant redelijkerwijs niet duidelijk kunnen zijn dat hij het huwelijk had moeten melden, nu dat niet duidelijk in de correspondentie van de Svb is aangegeven en zijn echtgenote pas in 2023 naar Nederland is gekomen. Er is sprake van dringende redenen om de terugvordering te beperken, nu appellant door de terugvordering over een langere periode geen inkomen heeft gehad en hierdoor ook bijstand is misgelopen. Verder meent appellant dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid om de boete te verlagen op grond van de in bezwaar aangevoerde gronden. Tot slot is de aflossingscapaciteit bestreden.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Appellant heeft ter zitting de grond ten aanzien van de aflossingscapaciteit niet langer gehandhaafd. Dit betekent dat in geschil is of de intrekking van de ANW-uitkering, de terugvordering en de opgelegde boete in stand kunnen blijven.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant vanwege zijn (tweede) huwelijk vanaf 1 augustus 2021 geen recht meer heeft op een ANW-uitkering. De Svb is op grond van artikel 34 vanPro de ANW gehouden het relevante besluit te herzien of in te trekken. De ANWuitkering die onverschuldigd is betaald moet op grond van artikel 53 vanPro de ANW door de Svb worden teruggevorderd. De Svb kan besluiten geheel of gedeeltelijk van intrekking of terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Dringende redenen
4.3.
In een tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van het begrip “dringende redenen” verruimd. [3] De Raad ziet de dringende redenen (voortaan) als een open norm waarbinnen het bestuursorgaan, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening (in dit geval: intrekking) en de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Verder heeft de Raad in deze uitspraak overwogen dat de dringende redenen bij de herziening en de terugvordering dezelfde inhoud hebben en dat beleidsregels om in geval van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van herziening en terugvordering af te zien, zijn aan te merken als binnenwettelijk beleid.
4.4.
Bij de herziening en intrekking van een uitkering ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht hanteert de Svb vanaf 8 maart 2024 nieuwe beleidsregels, die zijn opgenomen in SB1407. Dit nieuwe, soepelere beleid past de Svb toe in alle zaken waarin het besluit nog niet rechtens onaantastbaar is. [4] De Svb herstelt, volgens beleidsregel SB1407, een wijziging die gevolgen heeft voor betalingen die in het verleden zijn gedaan in beginsel met volledig terugwerkende kracht. Dit doet de Svb ook als er geen wijziging is opgetreden, maar bijvoorbeeld door een fout van de Svb de uitkering in het verleden verkeerd is vastgesteld. De Svb ziet geheel of gedeeltelijk af van verlaging of intrekking van de uitkering over het verleden, als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
4.5.
Als de Svb een uitkering verlaagt of intrekt over een periode in het verleden, houdt de Svb rekening met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Svb heeft beleid ontwikkeld voor drie situaties die veel voorkomen. Een daarvan is de situatie waarin betrokkene de mededelingsplicht heeft geschonden. In dat geval wordt de uitkering in beginsel verlaagd of ingetrokken met een terugwerkende kracht van maximaal vijf jaar. Ook ziet de Svb geheel of gedeeltelijk af van de voorgenomen verlaging of intrekking als de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe leiden dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Bij deze beoordeling hecht de Svb belang aan de mate waarin de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt en de mate waarin de Svb een verwijt kan worden gemaakt.
4.6.
In aanvulling hierop hanteert de Svb de vaste gedragslijn dat de “dringende reden”-toets bij de terugvordering op dezelfde wijze wordt uitgevoerd als bij de herziening of intrekking en wordt in uitzonderingsgevallen al in de terugvorderingsfase rekening gehouden met eventuele ernstige financiële gevolgen van een terugvordering. [5] In een uitspraak van 21 november 2024 [6] heeft de Raad geoordeeld dat de Svb met bovenstaande in zijn algemeenheid een invulling aan de bepalingen over de dringende reden heeft gegeven die strookt met wat in de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024 is beoogd. De vaste gedragslijn is sinds 3 december 2025 als beleidsregel opgenomen in SB1429.
Toepassing van het vorenstaande in het geval van appellant
4.7.
De Raad is van oordeel dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij zijn huwelijk van [datum] 2021 moest melden bij de Svb. In het toekenningsbesluit en in de besluiten van 17 juli 2017 en 8 december 2021 is appellant erop gewezen dat hij een wijziging in zijn situatie binnen vier weken aan de Svb moet melden en is voor verdere informatie verwezen naar de website van de Svb. Uit de aard van de uitkering, maar ook uit de informatie die appellant ter beschikking stond, waaronder op de website van de Svb, had het hem duidelijk kunnen zijn dat een huwelijk van invloed kon zijn op zijn aanspraak op ANW-uitkering en dat hij deze wijziging moest melden bij de Svb. Dat appellant naar eigen zeggen laaggeschoold is en niet handig met de computer, doet hieraan niet af. Het feit dat het ging om een nabestaandenuitkering had bij appellant op zijn minst twijfel moeten oproepen of hij hierop na zijn huwelijk nog recht had en het had op zijn weg gelegen om hierover bij de Svb informatie in te winnen.
De verwijzing, ter zitting, naar beleidsregel SB1407 kan appellant evenmin helpen. Aan de daarin opgenomen zin
‘ De SVB verwacht wel van betrokkene dat hij de brieven van de SVB zorgvuldig leest, maar niet dat hij de inhoud van de brieven controleert aan de hand van de wet- en regelgeving, de beleidsregels en de website van de SVB’
komt niet de betekenis toe die appellant daaraan hecht. Dit deel van het beleid ziet op een situatie waarin door een fout van de Svb een onjuist besluit is genomen. Het heeft dus geen betrekking op de vraag wat appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn in het kader van de inlichtingenverplichting.
4.8.
In de omstandigheden die appellant heeft aangevoerd, heeft de Svb geen aanleiding hoeven zien om op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk af te zien van de intrekking en/of terugvordering. De intrekking en terugvordering is niet ontstaan of opgelopen door toedoen van de Svb, maar door de schending van de inlichtingenverplichting door appellant. Appellant heeft zijn huwelijk immers niet tijdig gemeld. Van enige verwijtbaarheid aan de kant van de Svb is geen sprake. De Svb heeft op 28 april 2023 een systeemmelding ontvangen waaruit bleek dat appellant in het buitenland was gehuwd. De Svb heeft op 11 mei 2023 de ANW-uitkering beëindigd, en daarmee voldoende voortvarend gehandeld. [7]
4.9.
Ook in de overige omstandigheden die door appellant zijn aangevoerd heeft de Svb geen aanleiding hoeven zien om de intrekking te matigen of geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering. Dat appellant vanaf augustus 2021 recht zou hebben gehad op een bijstandsuitkering, is geen omstandigheid die ertoe leidt dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Als appellant tijdig zijn huwelijk had gemeld, had hij ook tijdig een bijstandsuitkering kunnen aanvragen. Dat ligt dus in de risicosfeer van appellant. [8]
4.10.
Met de financiële gevolgen van de terugvordering wordt in beginsel voldoende rekening gehouden bij de invordering. Met appellant is vanaf 1 december 2023 een betalingsregeling afgesproken waarbij € 481,- per maand wordt ingevorderd. Op zitting van de Raad heeft appellant toegelicht dat hij zich wel zorgen maakt over zijn financiële toekomst maar dat het afbetalen niet tot financiële problemen heeft geleid. Van ernstige financiële gevolgen als gevolg van de terugvordering is dan ook niet gebleken.
4.11.
Uit 4.7. volgt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door zijn huwelijk niet tijdig te melden. De Svb is daarom in beginsel verplicht een boete op te leggen. De rechtbank heeft in de door appellant aangevoerde omstandigheden terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de Svb bij de vaststelling van de boete uit had moeten gaan van verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, en artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit Sociale Zekerheidswetten. De boete is daardoor terecht vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag, met een maximum van € 5.800,-. Er zijn geen dringende redenen aangevoerd om van het opleggen van een boete af te zien. Tot slot is niet gebleken dat de boete onevenredig is.
Conclusie en gevolgen
4.12.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening, de terugvordering en de opgelegde boete in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en A. Hoogenboom als leden. In tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) F.M. Gerritsen
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels
Algemene nabestaandenwet
Artikel 16 (beëindiging nabestaandenuitkering)
1. Het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien:
(...)
b. de nabestaande in het huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende; (...)
Artikel 34 (herziening/intrekking)
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, herziet de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 35, 36, tweede lid, of 37 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 35, 35a, 36, tweede lid of 37 er toe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 35 (informatieplicht belanghebbende)
1. De nabestaande, het ouderloos kind en zijn wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 49 ofPro 57 de uitkering wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt uitbetaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
(...)
Artikel 39 (bestuurlijke boete)
1. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 35. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 35, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 35, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 35, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan nabestaandenuitkering of wezenuitkering is verleend.
(...)
5. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 35, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan nabestaandenuitkering of wezenuitkering is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.
(...)
7. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
(...)
9. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
Artikel 53
1. De uitkering op grond van deze wet die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 34 onverschuldigdPro is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank van de nabestaande of het ouderloos kind of zijn wettelijke vertegenwoordiger, of de instelling aan welke ingevolge artikel 49 ofPro 57 de uitkering wordt uitbetaald, teruggevorderd. (…)
5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien.
Boetebesluit Sociale Zekerheidswetten
Artikel 2
1. Indien als gevolg van overtreding van de inlichtingenverplichting sprake is van een benadelingsbedrag, worden bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete de uitgangspunten in het tweede tot en met het tiende lid in acht genomen.
2. Indien de inlichtingenverplichting opzettelijk is overtreden, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 100 procent van het benadelingsbedrag.
3. Indien sprake is van grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 75 procent van het benadelingsbedrag.
4. Indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent van het benadelingsbedrag.
5. Indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 25 procent van het benadelingsbedrag.
(…)
10. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete rust op betrokkene. Indien het bestuursorgaan op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden.
Beleidsregel SB1407 (Dringende reden bij intrekking of herziening)
Dringende reden in de AOW, Anw, AKW, Participatiewet, Remigratiewet en OBR
De SVB herstelt een wijziging die gevolgen heeft voor betalingen die in het verleden zijn gedaan in beginsel met volledig terugwerkende kracht. Dit doet de SVB ook als er geen wijziging is opgetreden, maar bijvoorbeeld door een fout van de SVB de uitkering in het verleden verkeerd is vastgesteld. De SVB ziet geheel of gedeeltelijk af van verlaging of intrekking van de uitkering over het verleden, als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Verlaging of intrekking over perioden in het verleden
Als de SVB een uitkering verlaagt of intrekt over een periode in het verleden, houdt de SVB rekening met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Beleid
De SVB heeft beleid ontwikkeld voor 3 situaties die veel voorkomen:
1. Betrokkene heeft de mededelingsplicht geschonden. De uitkering wordt dan verlaagd of ingetrokken met een terugwerkende kracht van maximaal 5 jaar. Als betrokkene grove schuld heeft aan het niet nakomen van de mededelingsplicht, is de terugwerkende kracht maximaal 10 jaar. In geval van opzet is de terugwerkende kracht maximaal 20 jaar.
2. Door een fout van de SVB is een onjuist besluit genomen. De uitkering wordt dan zonder terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken.
In geval van een ‘kenbaar evidente fout’ wordt de uitkering wel met een terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken. De mate van terugwerkende kracht is een percentage van de periode waarover de SVB te veel uitkering heeft betaald, namelijk:
25% 25% en maximaal 5 jaar als betrokkene de fout uit eigen beweging meldt aan de SVB;
25% 50% en maximaal 5 jaar als betrokkene heeft verzuimd de fout aan de SVB te melden;
25% 75% en maximaal 10 jaar als betrokkene grove schuld heeft aan het niet melden van deze fout;
25% 100% en maximaal 20 jaar als betrokkene met opzet de fout niet aan de SVB heeft gemeld.
Of sprake is van een ’kenbaar evidente fout’ beoordeelt de SVB aan de hand van de communicatie tussen de SVB en de individuele betrokkene. Daarnaast is van belang welk besluit betrokkene van de SVB mocht verwachten op grond van de door hem verstrekte informatie. De SVB verwacht wel van betrokkene dat hij de brieven van de SVB zorgvuldig leest, maar niet dat hij de inhoud van de brieven controleert aan de hand van de wet- en regelgeving, de beleidsregels en de website van de SVB.
3. Betrokkene ontvangt met terugwerkende kracht een nabetaling van een andere instantie. In dat geval wordt de uitkering met dezelfde terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken.
Beleidsregel SB 1429 (terugvordering van uitkeringen)
De dringende reden in bepalingen over de terugvordering heeft dezelfde inhoud als de dringende reden in bepalingen over verlaging of intrekking van de uitkering ( ECLI:NL:CRVB:2024:726 ). Omstandigheden die al zijn meegewogen bij de verlaging of intrekking (zie SB1407) leiden niet tot een verdere matiging van de terugvordering.
Bij de beoordeling van de dringende reden zijn de oorzaak en de gevolgen van de terugvordering van belang. Bij de oorzaak kijkt de SVB naar het aandeel van de SVB en het aandeel van betrokkene. Bij de gevolgen kijkt de SVB naar de sociale en financiële gevolgen voor betrokkene. De SVB weegt de financiële gevolgen normaal gesproken pas mee in het invorderingsbesluit. Als bij het nemen van het terugvorderingsbesluit al voorzienbaar is dat dit besluit ernstige financiële gevolgen voor betrokkene zal hebben, houdt de SVB hiermee rekening bij het nemen van dit besluit ( ECLI:NL:CRVB:2024:726 , ECLI:NL:CRVB:2024:2140 en ECLI:NL:CRVB:2024:2192).
Evenredigheidstoets
Ook ziet de SVB geheel of gedeeltelijk af van de voorgenomen verlaging of intrekking als de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe leiden dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Bij deze beoordeling hecht de SVB belang aan:
de mate waarin de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt; en
de mate waarin de SVB een verwijt kan worden gemaakt.
Beleidsregel SB1429 (dringende reden bij terugvordering)
De SVB kan geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering als sprake is van dringende redenen.
De dringende reden in bepalingen over de terugvordering heeft dezelfde inhoud als de dringende reden in bepalingen over verlaging of intrekking van de uitkering (ECLI:NL:CRVB:2024:726). Omstandigheden die al zijn meegewogen bij de verlaging of intrekking (zie SB1407) leiden niet tot een verdere matiging van de terugvordering. Bij de beoordeling van de dringende reden zijn de oorzaak en de gevolgen van de terugvordering van belang. Bij de oorzaak kijkt de SVB naar het aandeel van de SVB en het aandeel van betrokkene. Bij de gevolgen kijkt de SVB naar de sociale en financiële gevolgen voor betrokkene. De SVB weegt de financiële gevolgen normaal gesproken pas mee in het invorderingsbesluit. Als bij het nemen van het terugvorderingsbesluit al voorzienbaar is dat dit besluit ernstige financiële gevolgen voor betrokkene zal hebben, houdt de SVB hiermee rekening bij het nemen van dit besluit (ECLI:NL:CRVB:2024:726, ECLI:NL:CRVB:2024:2140 en ECLI:NL:CRVB:2024:2192 ).
Beleidsregel SB1108 (mate van verwijtbaarheid)
Op grond van artikel 5:46, tweede lid Awb moet de SVB de hoogte van de boete afstemmen op de mate van verwijtbaarheid. De op te leggen boete is hoger naarmate de schending van de mededelingsverplichting de belanghebbende meer kan worden aangerekend. Artikel 2, tweede tot en met vijfde lid Boetebesluit socialezekerheidswetten onderscheidt de volgende categorieën: opzet, grove schuld, verwijtbaarheid zonder opzet of grove schuld en verminderde verwijtbaarheid. Daarnaast neemt de SVB aan dat ook sprake kan zijn van een situatie waarin een belanghebbende sterk verminderd verwijtbaar is. Het beleid over deze vijf categorieën staat in SB1244 over de mate van verwijtbaarheid.
De SVB legt in beginsel een boete op van 50% van het benadelingsbedrag. In de volgende gevallen hanteert de SVB een ander percentage van het benadelingsbedrag:
100% in geval van opzet;
75% in geval van grove schuld;
25% in geval van verminderde verwijtbaarheid;
10% in geval van sterk verminderde verwijtbaarheid.
In geval van recidive vermenigvuldigt de SVB het benadelingsbedrag eerst met 150% en daarna met de hiervoor genoemde percentages. Behalve voor sterk verminderde verwijtbaarheid volgt dit uit artikel 2, zesde lid Boetebesluit socialezekerheidswetten. In het geval van sterk verminderde verwijtbaarheid past de SVB dit artikellid naar analogie toe.
Artikel 2, zevende lid Boetebesluit socialezekerheidswetten bevat een formule voor het berekenen van de maximale boete in geval van verwijtbaarheid en verminderde verwijtbaarheid. De SVB past deze formule naar analogie toe op gevallen van sterk verminderde verwijtbaarheid.
Ontbreekt iedere vorm van verwijtbaarheid, dan ziet de SVB op grond van artikel 5:41 AwbPro af van het opleggen van een boete of het geven van een schriftelijke waarschuwing.