Appellant diende op 16 april 2020 een aanvraag om bijstand in, die door het college werd afgewezen omdat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag en zijn financiële situatie onduidelijk was. Later diende appellant een tweede aanvraag in, waarop bijstand werd toegekend met een afstemming van €196,50 per maand vanwege betaling van autokosten door zijn moeder.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen beide besluiten ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de afwijzing van de eerste aanvraag onterecht was omdat appellant voldoende aannemelijk had gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag en zijn vermogenstoestand duidelijk was, mede op basis van verklaringen en bankafschriften. De Raad vernietigt daarom het besluit van 7 december 2020 en herroept het besluit van 18 juni 2020, en bepaalt dat bijstand wordt verleend over de periode 1 april tot 10 november 2020.
De afstemming van de bijstand wegens substantiële besparing wordt bevestigd omdat de moeder van appellant rechtstreeks de wegenbelasting en verzekering betaalde, waardoor appellant deze kosten niet uit de bijstandsnorm hoefde te voldoen. Het verzoek van appellant om dit bedrag als gift vrij te laten wordt afgewezen omdat hij niet vrij over deze bedragen kon beschikken.
Verder wordt de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van wettelijke rente over de niet ontvangen bijstand. Ook krijgt appellant een vergoeding van proceskosten en griffierechten toegekend.