ECLI:NL:CRVB:2026:136

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
23/554 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12, eerste lid, AwbArt. 6 EVRMArt. 11, eerste lid, ParticipatiewetArt. 18, eerste lid, Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep vernietigt afwijzing bijstandsaanvraag wegens onduidelijke financiële situatie

Appellant diende op 16 april 2020 een aanvraag om bijstand in, die door het college werd afgewezen omdat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag en zijn financiële situatie onduidelijk was. Later diende appellant een tweede aanvraag in, waarop bijstand werd toegekend met een afstemming van €196,50 per maand vanwege betaling van autokosten door zijn moeder.

De rechtbank verklaarde de beroepen tegen beide besluiten ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de afwijzing van de eerste aanvraag onterecht was omdat appellant voldoende aannemelijk had gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud voorzag en zijn vermogenstoestand duidelijk was, mede op basis van verklaringen en bankafschriften. De Raad vernietigt daarom het besluit van 7 december 2020 en herroept het besluit van 18 juni 2020, en bepaalt dat bijstand wordt verleend over de periode 1 april tot 10 november 2020.

De afstemming van de bijstand wegens substantiële besparing wordt bevestigd omdat de moeder van appellant rechtstreeks de wegenbelasting en verzekering betaalde, waardoor appellant deze kosten niet uit de bijstandsnorm hoefde te voldoen. Het verzoek van appellant om dit bedrag als gift vrij te laten wordt afgewezen omdat hij niet vrij over deze bedragen kon beschikken.

Verder wordt de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van wettelijke rente over de niet ontvangen bijstand. Ook krijgt appellant een vergoeding van proceskosten en griffierechten toegekend.

Uitkomst: Afwijzing eerste bijstandsaanvraag vernietigd en bijstand toegekend; afstemming bijstand bevestigd; schadevergoeding toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/554 PW, 23/555 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 januari 2023, 20/3558 en 21/2060 (aangevallen uitspraak) en op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 20 januari 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om twee aanvragen om bijstand. Het college heeft de eerste aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt hoe hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Daarom is het recht op bijstand niet vast te stellen. De tweede aanvraag om bijstand heeft geleid tot toekenning daarvan met ingang van 11 november 2020. Het college heeft daarbij de verleende bijstand op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet (PW) verlaagd (afgestemd) met een bedrag van € 196,50 per maand omdat sprake is van een substantiële besparing. Volgens appellant is zijn eerste aanvraag ten onrechte afgewezen en is de verleende bijstand ten onrechte verlaagd. Appellant krijgt gelijk voor zover het de afwijzing van de eerste aanvraag betreft, maar niet voor zover het de verlaging van de toegekende bijstand naar aanleiding van zijn tweede aanvraag betreft. Ook krijgt appellant een schadevergoeding van € 1.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.M.J. Schoonbrood, advocaat, de hoger beroepen ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant heeft mr. Schoonbrood verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen bedragen en om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM.
Naar aanleiding van het laatstgenoemde verzoek om schadevergoeding heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 oktober 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schoonbrood. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. Roestenberg.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
De afgewezen aanvraag (23/554)
1.1.
Appellant heeft zich op 1 april 2020 gemeld om bijstand aan te vragen op grond van de PW. Hij heeft de aanvraag op 16 april 2020 ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij bijstand nodig heeft omdat zijn relatie verbroken is en hij nu zonder inkomen zit.
1.1.1.
Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college appellant met brieven van 22 april 2020, 4 mei 2020 en 5 juni 2020 gevraagd om een aantal verklaringen en gegevens te verstrekken, waaronder bankafschriften van al zijn spaar- en betaalrekeningen over de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag, gegevens over (de financiering van de aanschaf en de betaling van de wegenbelasting en verzekering voor) de auto die op zijn naam geregistreerd staat, een verklaring over hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien in de periode voorafgaand aan de aanvraag en een schriftelijke verklaring van zijn ex-partner over haar financiële ondersteuning tijdens de relatie.
1.1.2.
Appellant heeft op 30 april 2020, 12 mei 2020 en 8 juni 2020 gereageerd op de brieven van het college. Hij heeft onder andere verklaard dat zijn moeder de auto contant heeft betaald bij een particulier, dat daarvan geen factuur is opgemaakt, dat zijn moeder de wegenbelasting en verzekering van de auto betaalt omdat het haar auto is, dat zijn ex-partner voor de breuk alle financiële zaken regelde, dat hij ook geld leende van familieleden maar dat zij geen verklaring willen geven, dat hij geen contact meer heeft met zijn ex-partner (X) en niet weet waar zij verblijft. Daarnaast heeft appellant de gevraagde bankafschriften overgelegd, en ook diverse bewijzen van schulden en (on)betaalde rekeningen en screenshots van door zijn moeder en haar partner gedane betalingen.
1.2.
Met een besluit van 18 juni 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 7 december 2020 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen en het aan appellant verstrekte voorschot van € 450,- van hem teruggevorderd. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeert, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellant heeft namelijk onvoldoende gegevens overgelegd over zijn vermogenstoestand en de manier waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien in de periode voorafgaand aan de aanvraag. Zijn financiële situatie ten tijde van de aanvraag kan daarom niet worden vastgesteld.
De afstemming van de bijstand (23/555)
1.3.
Op 11 november 2020 heeft appellant opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Het college heeft – in essentie – om dezelfde inlichtingen en bewijsstukken gevraagd als bij de eerste aanvraag van appellant, maar nu over een andere periode en met uitzondering van verklaringen van de ex-partner. Appellant heeft – in essentie – ook dezelfde inlichtingen en bewijsstukken verstrekt als in het kader van zijn eerste aanvraag. In aanvulling daarop heeft appellant een door hem ondertekende verklaring ingeleverd waarin staat dat hij heeft geleefd van geld van familie en vrienden, dat bewijs daarvan ontbreekt omdat het om contant geld ging en dat de totale schuld aan hen ongeveer € 9.200,- bedraagt. Appellant heeft ter onderbouwing nog drie verklaringen overgelegd van zijn moeder, een nicht en een neef. Verder heeft appellant een groot aantal bewijsstukken ingeleverd van zijn inmiddels opgelopen schulden bij bedrijven.
1.4.
Met een besluit van 1 februari 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 28 juni 2021 (bestreden besluit 2), heeft het college appellant bijstand toegekend met ingang van 11 november 2020 en de bijstand met ingang van die datum afgestemd met € 196,50 per maand. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat sprake is van een substantiële besparing, omdat de moeder van appellant de wegenbelasting en verzekering van zijn auto betaalt.
1.5.
Met een besluit van 22 juni 2021 heeft het college de afstemming van bijstand met ingang van 1 februari 2021 gestaakt omdat is gebleken dat appellant vanaf dat moment zelf de kosten voor de auto voldoet.
1.6.
Appellant ontvangt in verband met zijn verhuizing inmiddels bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard en daarmee de bestreden besluiten in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de afwijzing van de aanvraag van 16 april 2020 en de verlaging van bijstand met ingang van 11 november 2020 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt voor zover het de afwijzing van de aanvraag van 16 april 2020 betreft (23/554). Voor zover het hoger beroep ziet op de verlaging van de bijstand slaagt het niet (23/555). Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De afgewezen aanvraag (23/554)
4.1.
Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 1 april 2020, de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 18 juni 2020, de datum van het afwijzingsbesluit (te beoordelen periode).
4.2.
Appellant heeft aangevoerd dat het recht op bijstand wel is vast te stellen. Hij heeft voldoende duidelijkheid gegeven over zowel de wijze waarop hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien als over zijn vermogenstoestand. Deze beroepsgrond slaagt. Hiervoor is het volgende van betekenis.
4.2.1.
Uit het rapport van 25 januari 2021, dat aan de toekenning van bijstand met ingang van 11 november 2020 ten grondslag ligt, blijkt dat voor het college duidelijk was hoe appellant vanaf 1 november 2019 – dus ook vóór en in de te beoordelen periode – in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Daarin staat namelijk het volgende:
“Betrokkene verklaart dus in totaal € 9.200,00 geleend te hebben van zijn moeder, neef en nicht. [,,,] Gezien het grote aantal schulden dat betrokkene heeft (daar wordt verderop in deze rapportage over gerapporteerd), is het bedrag van € 9.200,00 een aannemelijk bedrag om van in het levensonderhoud te voorzien van 1 november 2019 tot heden.
[...]
Rapportrice is van mening dat betrokkene met de verklaringen van zijn moeder, nicht en neef in combinatie met de bankafschriften voldoende aannemelijk heeft gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien in de periode van 1 november 2019 tot heden.”.
Alleen al om die reden heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over de wijze waarop hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien geen stand houden.
4.2.2.
Naar de Raad begrijpt stelt het college zich verder op het standpunt dat de vermogenspositie van appellant onduidelijk is, omdat appellant geen duidelijkheid heeft gegeven over de (financiering van de) Volkswagen Polo die vanaf 18 januari 2020 op naam van appellant staat (auto). Ook dit standpunt kan niet worden gevolgd. De auto, die een geschatte dagwaarde heeft van € 3.490,-, is namelijk ruim voordat appellant zich meldde om bijstand aan te vragen op zijn naam komen te staan. Niet valt in te zien waarom de financiering van de auto iets zou kunnen zeggen over de vermogenspositie van appellant in en kort voor de te beoordelen periode. Ook valt om de volgende reden niet te zien waarom de vermogenspositie van appellant in verband met de auto niet duidelijk is. Het feit dat het kentekenbewijs van de auto sinds 18 januari 2020 op naam van appellant is geregistreerd, rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze auto sindsdien een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken en appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het tegendeel het geval is. De waarde van de auto moet dus tot het vermogen van appellant worden gerekend. Tussen partijen is niet in geschil dat die waarde in de te beoordelen periode onder de grens van het vrij te laten vermogen lag.
4.2.3.
Het college heeft ter zitting op vragen van de Raad ook geen andere feiten en omstandigheden kunnen noemen op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat de financiële situatie van appellant, en daarmee zijn recht op bijstand, niet is vast te stellen.
4.3.
Uit 4.1 tot en met 4.2.3 volgt dat bestreden besluit 1 niet zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
De afstemming van de verleende bijstand (23/555)
4.4.
Zoals ter zitting is besproken is nog slechts in geschil de afstemming van bijstand met een bedrag van € 196,50 per maand over de periode van 11 november 2020 tot en met 31 januari 2021.
4.5.
Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende. Dat staat in artikel 18, eerste lid, van de PW. Voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging of een verhoging van de bijstand is alleen plaats in zeer bijzondere situaties. Dit is vaste rechtspraak. [1] Het is aan de bijstandverlenende instantie die door middel van afstemming aan een bijstandsgerechtigde een lagere uitkering wil toekennen dan de voor hem toepasselijke norm, om aannemelijk te maken dat er een zeer bijzondere situatie is, zoals hiervoor bedoeld.
4.6.
Vast staat dat het kentekenbewijs van de auto vanaf 18 januari 2020 op naam van appellant geregistreerd staat en dat hij ook de feitelijke beschikking had over die auto. Verder is niet in geschil dat de moeder van appellant ten tijde hier van belang een bedrag van in totaal € 196,50 per maand voor de wegenbelasting en de verzekering van de auto rechtstreeks heeft betaald aan de Belastingdienst en de verzekeringsmaatschappij. Daarmee werd voorzien in kosten die behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van appellant. Doordat hij deze kosten niet meer zelf hoefde te voldoen uit de bijstandsnorm, leverde dit hem een substantiële besparing op. Daarbij is mede van belang dat het hier gaat om een substantieel bedrag van € 196,50 per maand, oftewel bijna 20% van de voor appellant geldende bijstandsnorm. Afstemming op de omstandigheden van appellant is daarom in beginsel aangewezen in die zin dat geen algemene bijstand hoeft te worden verleend voor de kosten waarin door zijn moeder werd voorzien.
4.7.
Appellant heeft als enige beroepsgrond aangevoerd dat geen plaats is voor afstemming van de bijstand omdat het bedrag van € 196,50 dat zijn moeder maandelijks voor hem betaalde als gift moet worden aangemerkt. Het bedrag dient daarom vrijgelaten te worden op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de PW. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiervoor is het volgende van betekenis.
4.7.1.
Zoals volgt uit 4.5.1 heeft appellant het bedrag van € 196,50 per maand niet ontvangen van zijn moeder, maar heeft zij dit rechtstreeks voldaan aan de Belastingdienst en de verzekeringsmaatschappij. Appellant heeft dus niet vrij kunnen beschikken over deze bedragen. Alleen al daarom kan geen sprake zijn van een op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de PW voor de middelen vrij te laten gift. Om die reden behoeven de beroepsgronden over het beleid van het college over de vrijlating van giften ook geen bespreking.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
4.8.
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
4.9.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [2] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
4.10.
In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dit is vaste rechtspraak. [3]
4.11.
De procedures over de afgewezen aanvraag om bijstand en de afstemming van bijstand hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, namelijk het recht op bijstand. De Raad sluit voor de hoogte van de schadevergoeding dan ook aan bij het eerst ingediende bezwaarschrift. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen.
4.12.
Vastgesteld wordt verder dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden. De overschrijding bedraagt een jaar en bijna zes maanden, zodat dit dient te leiden tot een veroordeling van de Staat tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 1.500,-.

Conclusie en gevolgen

4.13.
Het hoger beroep slaagt voor zover het ziet op de afwijzing van de eerste aanvraag, maar niet voor zover het ziet op de afstemming.
De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Voor het overige moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd. Dit betekent dat de afstemming van de bijstand vanaf 11 november 2020 in stand blijft.
4.13.1.
Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Het college heeft ter zitting te kennen gegeven geen nader onderzoek te zullen doen naar het recht op bijstand in de periode van 1 april 2020 tot en met 10 november 2020. De Raad zal daarom zelf in de zaak voorzien door het besluit van 18 juni 2020 te herroepen en te bepalen dat aan appellant bijstand wordt verleend over de periode van 1 april 2020 tot en met 10 november 2020 naar de voor hem destijds geldende bijstandsnorm.
5. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de ten onrechte niet ontvangen bijstand. Dit verzoek wordt toegewezen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012. [4]
6. De Staat moet worden veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoeding aan appellant tot een bedrag van in totaal € 1.500,-.
7. Appellant krijgt een vergoeding voor de kosten die hij in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 1.332,- in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift tegen bestreden besluit 1 en 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,-), € 1.868,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het beroepschrift tegen bestreden besluit 1 en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 1.868,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-), in totaal € 5.068,-. Appellant krijgt ook het in procedure 23/554 PW in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 184,- terug.
8. Appellant krijgt ook een vergoeding in verband met het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden begroot op € 934,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het ingediende verzoekschrift, 1 punt voor de behandeling van dit verzoek ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:
  • vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 7 december 2020 ongegrond is verklaard;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 7 december 2020 gegrond en vernietigt dat besluit;
  • herroept het besluit van 18 juni 2020, bepaalt dat het college aan appellant bijstand verleent over de periode van 1 april 2020 tot en met 10 november 2020 naar de destijds voor hem geldende norm en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 1;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding aan appellant van de schade in de vorm van wettelijke rente zoals onder 5 van deze uitspraak is vermeld;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van in totaal € 1.500,-;
  • veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 5.068,-;
  • bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 184,- vergoedt;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 934-.
Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke als voorzitter en W.F. Claessens en C.F.E. van Olden-Smit als leden, in tegenwoordigheid van M. Ramanand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.

(getekend) A.M. Overbeeke

De griffier is verhinderd te ondertekenen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet
Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet
Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
Artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de Participatiewet
Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend giften en andere dan de in onderdeel l bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1124.