Appellanten hebben een aanvraag voor een IOAZ-uitkering ingediend die door het dagelijks bestuur is afgewezen. Zij stelden dat een consulent hen had toegezegd dat zij per 21 januari 2021 een uitkering zouden ontvangen. Zowel de rechtbank als de Raad oordeelden dat appellanten deze toezegging niet aannemelijk hebben gemaakt, mede omdat zij de consulent niet als getuige hebben opgeroepen en de schriftelijke verklaringen van een getuige onvoldoende concreet waren.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet. De Raad benadrukt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel aannemelijk moet worden gemaakt dat de overheid toezeggingen heeft gedaan waaruit redelijkerwijs kon worden afgeleid hoe het bestuursorgaan bevoegdheden zou uitoefenen.
Daarnaast is vastgesteld dat de totale duur van de procedure ruim vijf jaar bedroeg, wat de redelijke termijn overschrijdt. Daarom kent de Raad appellanten een schadevergoeding toe van €1.500,-, waarvan €1.385,- voor rekening van de Staat en €115,- voor het dagelijks bestuur. Tevens worden proceskosten toegekend aan appellanten.
De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.