ECLI:NL:CRVB:2026:138

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
23/2022 NIOAZ-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing IOAZ-uitkering en afwijzing beroep op vertrouwensbeginsel

Appellanten hebben een aanvraag voor een IOAZ-uitkering ingediend die door het dagelijks bestuur is afgewezen. Zij stelden dat een consulent hen had toegezegd dat zij per 21 januari 2021 een uitkering zouden ontvangen. Zowel de rechtbank als de Raad oordeelden dat appellanten deze toezegging niet aannemelijk hebben gemaakt, mede omdat zij de consulent niet als getuige hebben opgeroepen en de schriftelijke verklaringen van een getuige onvoldoende concreet waren.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet. De Raad benadrukt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel aannemelijk moet worden gemaakt dat de overheid toezeggingen heeft gedaan waaruit redelijkerwijs kon worden afgeleid hoe het bestuursorgaan bevoegdheden zou uitoefenen.

Daarnaast is vastgesteld dat de totale duur van de procedure ruim vijf jaar bedroeg, wat de redelijke termijn overschrijdt. Daarom kent de Raad appellanten een schadevergoeding toe van €1.500,-, waarvan €1.385,- voor rekening van de Staat en €115,- voor het dagelijks bestuur. Tevens worden proceskosten toegekend aan appellanten.

De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt afgewezen en de afwijzing van de IOAZ-uitkering bevestigd, met toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer

23.2022 NIOAZ-PV

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 juni 2023, 21/2252 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)
Het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Brunssum en Landgraaf (dagelijks bestuur)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Zitting hebben: E.C.E. Marechal als voorzitter, E.J.M. Heijs en C.F.E. van Olden-Smit als leden
Griffier: L. van Beelen
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 januari 2026. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. K.J.C. van Bekkum, advocaat. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M.J. Michiels.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellanten van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.385,-;
  • veroordeelt het dagelijks bestuur tot betaling aan appellanten van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 115,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 233,50;
  • veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 233,50.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Met een besluit van 21 december 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 21 juli 2021 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag van appellanten voor een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ-uitkering) afgewezen. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellanten hebben hoger beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dat verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De vraag die hier voorligt is of het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel slaagt. Volgens appellanten heeft de bij de behandeling van de aanvraag betrokken consulent een toezegging gedaan dat zij per 21 januari 2021 een IOAZuitkering toegekend zouden krijgen. Met de rechtbank en het dagelijks bestuur oordeelt de Raad dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat deze toezegging is gedaan. Dat betekent dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Hierna wordt uitgelegd waarom niet.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. [1]
4. Voorop staat dat uit de stukken van het dossier niet blijkt dat de betreffende consulent een toezegging heeft gedaan als door appellanten gesteld. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellanten er niet voor hebben gekozen om de consulent in beroep op te (doen) roepen als getuige. Dat is in hoger beroep ook het geval.
5. Ter onderbouwing van de gestelde toezegging hebben appellanten – naast hun eigen verklaring – alleen twee verschillende, ongedateerde, schriftelijke verklaringen van een gestelde getuige aangeleverd. Deze getuige zou bij appellanten thuis aanwezig zijn geweest toen het telefoongesprek tussen hen en de consulent plaatsvond waarbij de gestelde toezegging zou zijn gedaan. Aan de verklaringen van die getuige kan niet de waarde worden toegekend die appellanten daar graag aan toegekend zouden willen zien. Uit die verklaringen kan namelijk niet worden opgemaakt wat er door de consulent precies zou zijn gezegd of toegezegd en in welke context dat zou zijn.
6. Appellanten hebben met hun eigen verklaringen de gestelde toezegging ook niet aannemelijk gemaakt. Daarbij weegt mee dat het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt ter onderbouwing van de verklaringen van appellanten. In het bezwaarschrift of tijdens de hoorzitting hebben appellanten juist helemaal niets aangevoerd of gezegd over een toezegging van de consulent, terwijl dat wel voor de hand had gelegen.
7. Appellanten krijgen wel de gevraagde schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [2] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
8. Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het dagelijks bestuur op 30 december 2020 tot aan deze uitspraak zijn vijf jaar en bijna één maand verstreken. In de zaak zelf, noch in de opstelling van appellanten zijn aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met dertien maanden overschreden. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. [3] Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.500,-.
9. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van de Staat onderscheidenlijk het dagelijks bestuur wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. [4] De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellanten tot een bedrag van € 1.385,- (12/13 deel van € 1.500,-). Het dagelijks bestuur wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellanten tot een bedrag van € 115,- (1/13 deel van € 1.500,-).
10. In verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat aanleiding het dagelijks bestuur en de Staat ieder voor de helft te veroordelen in de proceskosten van appellanten ter zake van dat verzoek. Deze kosten worden begroot op € 467,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verzoek, wegingsfactor 0,5). Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van dat verzoek bestaat in dit geval geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer
(getekend) L. van Beelen (getekend) E.C.E. Marechal

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.
2.Zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
3.Zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.