ECLI:NL:CRVB:2026:140

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
25/175 STAP-W
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen behandelend rechter in hoger beroep misbruik van recht

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank Rotterdam waarin beroepen niet-ontvankelijk werden verklaard wegens misbruik van recht. Na de zitting op 19 november 2025 diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter H.G. Rottier, die schriftelijk reageerde en niet in de wraking berustte.

De wrakingskamer heeft het verzoek onderzocht, waarbij verzoeker telefonisch werd gehoord en de behandelend rechter niet verscheen. Het proces-verbaal van de zitting werd opgevraagd en aan verzoeker toegezonden, waarop hij reageerde. De wrakingskamer overwoog dat het stellen van kritische vragen door de rechter niet leidt tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

De wrakingskamer concludeerde dat de wijze van vraagstelling en bewoordingen geen zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid bevatten. Ook was er geen grond voor de stelling dat de rechter het UWV had voorgesteld verzoeker 150 keer in de proceskosten te veroordelen. Het verzoek om wraking werd daarom afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de behandelend rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

Uitspraak

25/175 STAP-W, 25/176 STAP-W, 25/661 STAP-W, 25/178 STAP-W, 25/179 STAP-W, 25/657 STAP-W, 25/188 STAP-W, 25/189 STAP-W, 25/658 STAP-W, 25/190 STAP-W, 25/659 STAP-W, 25/192 STAP-W, 25/660 STAP-W
Datum beslissing: 10 februari 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/175 STAP-W e.v.
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen acht uitspraken van de rechtbank Rotterdam in gedingen tussen verzoeker zelf dan wel cliënten van verzoeker enerzijds en het Uwv anderzijds. De rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard vanwege misbruik van recht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2025 door een meervoudige kamer, bestaande uit H.G. Rottier, S.B. Smit-Colenbrander en S. Wijna.
Verzoeker heeft na de zitting een verzoek om wraking van H.G. Rottier (behandelend rechter) ingediend.
De behandelend rechter heeft schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd en meegedeeld niet in de wraking te berusten.
Verzoeker en de behandelend rechter zijn uitgenodigd om te worden gehoord op een zitting van de wrakingskamer van de Raad op 16 december 2025. Verzoeker heeft telefonisch deelgenomen aan de zitting. De behandelend rechter heeft laten weten niet te verschijnen.
Het onderzoek is heropend waarna een uitgewerkt proces-verbaal van de zitting van 19 november 2025, met daarin opgenomen de vraagstelling, is opgevraagd en ontvangen. Het uitgewerkte proces-verbaal is op 15 januari 2026 aan verzoeker toegezonden. Verzoeker heeft op 24 januari 2026 hierop gereageerd. Daarna heeft de wrakingskamer het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
2. Verzoeker stelt dat de behandelend rechter er blijk van heeft gegeven vooringenomen te zijn. Het wrakingsverzoek richt zich op de wijze waarop door de behandelend rechter vragen zijn gesteld die verzoeker als vermanend en belerend heeft ervaren. In de discussie over de vraag in hoeverre de rechterlijke macht bij de overheid behoort zijn verzoeker volgens hem woorden in de mond gelegd die hij niet heeft gebezigd. Verder heeft de behandelend rechter volgens verzoeker het Uwv voorgesteld om hem 150 keer in de proceskosten te veroordelen, terwijl het Uwv zelf hier niet mee kwam. Ook heeft de behandelend rechter volgens verzoeker een vijandige houding aangenomen bij de vraag waarom verzoeker aanvragen voor het STAPbudget niet digitaal maar op papier heeft gedaan, terwijl de STAP-regeling de digitale weg voorschrijft.
3.1.
Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek moet voorop staan dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken als er een uitzonderlijke omstandigheid is die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid van de rechter. De vrees voor vooringenomenheid van de rechter moet objectief gerechtvaardigd zijn. [1]
3.2.
Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek is verder van belang dat het bepalen van het zittingsverloop, de voortgang van de zitting en de orde in de zittingszaal tot de taakuitoefening van de rechter behoren. [2] Dat geldt ook voor het stellen van (kritische) vragen aan partijen. Het enkele feit dat (kritische) vragen worden gesteld, vormt geen zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid van de rechter. [3]
3.3.
Het uitgewerkte proces-verbaal van de zitting van 19 november 2025 geeft wat betreft de wijze van vraagstelling en wat betreft de bewoordingen geen enkel aanknopingspunt, laat staan een zwaarwegende aanwijzing, voor het oordeel dat de behandelend rechter vooringenomen is. De behandelend rechter heeft in zijn reactie op het wrakingsverzoek te kennen gegeven dat in deze zaak over misbruik van recht, waarbij het gaat om meer dan 700 aanvragen en gevorderde dwangsommen, een indringende vraagstelling in de rede lag. Dat verzoeker die vraagstelling als vermanend en belerend heeft ervaren, is geen grond voor de wrakingskamer om te oordelen dat er een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de behandelend rechter is. Tot slot wordt nog opgemerkt dat uit het proces-verbaal niet volgt dat de behandelend rechter het Uwv heeft voorgesteld verzoeker 150 keer in de proceskosten te veroordelen. Hij heeft over een mogelijke proceskostenveroordeling van verzoeker enkel een vraag aan de vertegenwoordiger van het Uwv gesteld.
4. Wat is overwogen onder 3.1, 3.2 en 3.3 betekent dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en C.W.C.A. Bruggeman als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
De griffier De voorzitter
(getekend) C.M. Snellenberg (getekend) E.J.M. Heijs
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep

Voetnoten

1.Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770, r.o. 4.2.3.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW3667.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1417.