ECLI:NL:CRVB:2026:145
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ZW- en WIA-uitkeringen wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellant vroeg een Ziektewet- en WIA-uitkering aan na ziekmelding wegens een auto-ongeval. Het UWV wees deze aanvragen af omdat appellant niet verplicht verzekerd was onder de werknemersverzekeringswetten, omdat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij het bedrijf waar appellant werkzaam zou zijn.
Na onderzoek, inclusief het horen van appellant en het bestuderen van loonstroken, bankafschriften en overeenkomsten, concludeerde het UWV en de rechtbank dat er geen loonbetalingen waren verricht en geen gezagsverhouding bestond. Appellant had geen melding gedaan van een dienstbetrekking terwijl hij dat verplicht was op grond van zijn Wajong-uitkering.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de bankafschriften onrechtmatig waren verkregen en dat wel degelijk een arbeidsovereenkomst bestond, met afspraken over loonbetaling na verbouwing van het pand. De Raad oordeelde dat het opvragen van bankafschriften rechtmatig was en dat de feitelijke omstandigheden, waaronder tegenstrijdige overeenkomsten, het ontbreken van loonbetalingen en het ontbreken van werkgeversgezag, niet wezen op een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Hierdoor blijven de besluiten tot weigering van de ZW- en WIA-uitkering in stand en krijgt appellant geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De aanvragen voor ZW- en WIA-uitkeringen worden afgewezen wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.