ECLI:NL:CRVB:2026:148

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
22/2492 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 44 WAOArt. 57 WAOArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering WAO-uitkering wegens niet doorgegeven pgb-inkomsten en matiging terugvordering

Appellante ontvangt sinds 1996 een WAO-uitkering en heeft vanaf 2013 inkomsten ontvangen uit het persoonsgebonden budget (pgb) van haar gehandicapte dochter, welke zij niet aan het Uwv heeft doorgegeven. Het Uwv bracht deze inkomsten in mindering op haar WAO-uitkering en vorderde onverschuldigd betaalde uitkeringen terug. Appellante stelde dat een deel van de pgb-inkomsten aan haar echtgenoot toekwam vanwege gedeelde zorgtaken en beriep zich op dringende redenen om terugvordering te matigen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het Uwv de pgb-inkomsten terecht volledig aan appellante had toegerekend. Het Uwv beperkte later de terugvordering tot de jaren 2016-2019 en verlaagde het bedrag wegens dringende redenen. Appellante betwistte deze matiging en stelde dat ook het jaar 2020 meegenomen moest worden.

De Centrale Raad van Beroep vernietigt het eerdere besluit en verklaart het beroep tegen het eerste besluit gegrond, maar verklaart het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond. De Raad oordeelt dat het Uwv terecht de pgb-inkomsten volledig aan appellante toerekent, omdat zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar echtgenoot substantieel heeft bijgedragen aan de zorgtaken. De matiging van de terugvordering is volgens de Raad proportioneel en zorgvuldig afgewogen. Tevens kent de Raad appellante een schadevergoeding van €1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

Uitkomst: Het beroep tegen het eerste terugvorderingsbesluit wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen het gewijzigde besluit wordt ongegrond verklaard, met matiging van de terugvordering en toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

22/2492 WAO, 24/2290 WAO
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
22/2492 WAO, 24/2290 WAO
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 juli 2022, 21/1507 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de inkomsten die appellante heeft ontvangen vanuit het pgb van haar dochter in mindering heeft gebracht op haar WAOuitkering, en de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering terecht heeft teruggevorderd. Volgens appellante dient maar een deel van de inkomsten in mindering te worden gebracht op haar WAO-uitkering, omdat haar echtgenoot ook een aandeel heeft gehad in de verzorging van hun dochter. Ook heeft appellante een beroep gedaan op dringende redenen om van de terugvordering af te zien. Het Uwv heeft in hoger beroep wegens dringende redenen een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarbij de periode van de terugvordering is beperkt tot de jaren 2016 tot en met 2019 en het bedrag van de terugvordering is verlaagd van € 71.507,64 naar € 32.894,17. Volgens appellante had het Uwv de terugvordering verder moeten matigen. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 juni 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Praagman.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om appellante in de gelegenheid te stellen om nadere stukken in te sturen. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft vervolgens partijen in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024 [1] over het toetsingskader bij herzienings- en terugvorderingsbesluiten de Raad te informeren of die uitspraak volgens hen gevolgen heeft voor deze zaak. Appellante heeft een reactie ingediend. Het Uwv heeft op 13 augustus 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen waarbij de terugvordering is verlaagd van € 71.507,64 bruto naar € 33.881,25 bruto.
Het Uwv heeft op 24 februari 2025 de beslissing op bezwaar van 13 augustus 2024 vanwege een berekeningsfout gecorrigeerd en het bedrag van de terugvordering verlaagd naar € 32.894,17 bruto.
Appellante heeft in reactie hierop te kennen gegeven dat zij zich niet kan vinden in de terugvordering van € 32.894,17.
De Raad heeft aan partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Daarbij heeft de Raad partijen geïnformeerd dat de samenstelling van de kamer is gewijzigd. Partijen hebben toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Appellante heeft daarbij verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.2.
Appellante ontvangt sinds 1996 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.3.
Uit door het Uwv ontvangen informatie van de Belastingdienst is gebleken dat appellante vanaf 1 januari 2013 inkomsten ontvangt vanuit het persoonsgebonden budget (pgb) van haar gehandicapte dochter. Uit door het Uwv opgevraagde informatie van de Sociale verzekeringsbank (Svb) is gebleken dat appellante over de periode van 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2020 maandelijkse betalingen uit het pgb heeft ontvangen, in totaal € 105.435,-. Appellante heeft deze inkomsten niet doorgegeven aan het Uwv.
1.4.
Bij besluit van 11 december 2020 heeft het Uwv de inkomsten van appellante in mindering gebracht op haar WAO-uitkering over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2019 en de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering tot een bedrag van € 71.507,64 bruto van appellante teruggevorderd. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 12 april 2021 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 december 2020 ongegrond verklaard. Niet in geschil is dat appellante de inkomsten niet heeft gemeld bij het Uwv. Dit betekent dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat het Uwv met terugwerkende kracht de inkomsten op de WAO-uitkering in mindering moet brengen. De stelling van appellante dat de zorgtaken tot november 2018 werden verdeeld tussen haar en haar echtgenoot, doet niet af aan het feit dat appellante de inkomsten uit het pgb heeft ontvangen op haar eigen bankrekening. Daarbij heeft appellante geen nadere onderbouwing gegeven over de verdeling van de zorgtaken, anders dan haar uitleg dat zij en haar echtgenoot de zorg voor hun dochter evenredig verdeelden. Tot slot is er volgens het Uwv geen dringende reden om van terugvordering af te zien.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv met de informatie van de Svb en de Belastingdienst voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante de door het Uwv gestelde inkomsten uit het pbg van haar dochter heeft ontvangen. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht de pgb-inkomsten volledig aan appellante heeft toegerekend. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat zij van 2015 tot november 2018 de zorg voor haar dochter heeft gedeeld met haar echtgenoot, en dat daarom ook een deel van de pgb-inkomsten aan haar echtgenoot moeten worden toegerekend, heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat de zorgovereenkomsten van 2015 en van 2018 op naam van appellante zijn gesteld, en dat de inkomsten uit het pgb aan haar zijn betaald. Er is daarom geen aanleiding om het door appellante ontvangen bedrag aan pgbinkomsten aan te passen. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien.
Nader besluit
3.1.
Het Uwv heeft op 13 augustus 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen waarbij de anticumulatie van de inkomsten op de WAO-uitkering is beperkt tot de jaren 2016 tot en met 2019 en de terugvordering over die jaren verlaagd van € 49.593,03 bruto naar € 33.881,25 bruto. Op 24 februari 2025 heeft het Uwv een berekeningsfout in de beslissing op bezwaar van 13 augustus 2024 gecorrigeerd en het bedrag van de terugvordering verder verlaagd naar € 32.894,17 bruto. De beslissing van 13 augustus 2024, zoals aangepast op 24 februari 2025, wordt hierna aangeduid als bestreden besluit 2.
Het standpunt van appellante
3.2.
Het hoger beroep van appellante is gericht tegen de aangevallen uitspraak en ook tegen bestreden besluit 2. Appellante heeft gesteld dat zij door onwetendheid de inkomsten uit pgb niet heeft doorgegeven aan het Uwv. Zij is ervan uitgegaan dat door deze inkomsten op te geven bij de Belastingdienst dit ook bij het Uwv bekend zou zijn. Verder heeft het Uwv volgens appellante onvoldoende onderbouwd dat de pgb-inkomsten volledig aan haar moeten worden toegerekend. Omdat appellante tot november 2018 samen met haar echtgenoot hun dochter heeft verzorgd, moet een deel van de inkomsten aan haar echtgenoot worden toegerekend. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante de aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2013 van haar echtgenoot overgelegd, waarin een bedrag van € 1.620,- is opgenomen als resultaat overige werkzaamheden. Tegen bestreden besluit 2 heeft appellante aangevoerd dat het terugvorderingsbesluit van de te veel betaalde WAO-uitkering over het jaar 2020 ook meegenomen moet worden in de onderhavige procedure. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat de omstandigheden van haar geval aanleiding moeten geven tot een verdergaande matiging.

Het oordeel van de Raad

4.1.
Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 gewijzigd. Daarom komt de aangevallen uitspraak van de rechtbank voor vernietiging in aanmerking, moet het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond worden verklaard en zal bestreden besluit 1 worden vernietigd. Met bestreden besluit 2 wordt niet geheel tegemoetgekomen aan het beroep van appellante. De Raad zal dit besluit, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrekken.
4.2.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.3.
Geoordeeld wordt dat het Uwv met de informatie van de Svb en de Belastingdienst voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2019 inkomsten heeft ontvangen vanuit het pgb van haar dochter. In de beschikbare zorgovereenkomsten van 2015 en 2018 is appellante vermeld als zorgverlener, en de vergoeding vanuit het pgb is overgemaakt naar de bankrekening van appellante. Appellante heeft de pgb-inkomsten ook op haar naam opgegeven bij de Belastingdienst. Appellante heeft niet met objectieve, verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de in het kader van de zorgovereenkomst te verrichten zorgtaken voor een substantieel deel door haar echtgenoot werden verricht. De aanslag inkomstenbelasting over 2013 van haar echtgenoot is daarvoor onvoldoende. Het Uwv heeft de door appellante ontvangen pgb-inkomsten daarom terecht volledig aan appellante toegerekend. Op grond van artikel 44 van Pro de WAO is het Uwv verplicht de inkomsten in mindering te brengen op de WAO-uitkering van appellante. Hierdoor heeft het Uwv een bedrag van € 71.507,64 bruto aan WAO-uitkering onverschuldigd betaald aan appellante. Het Uwv is in beginsel op grond van artikel 57 van Pro de WAO verplicht de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering terug te vorderen. Een (verwijtbare) schending van de inlichtingenplicht is hiervoor geen voorwaarde. Op grond van het zesde lid kan het Uwv op grond van dringende redenen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Bij bestreden besluit 2 heeft het Uwv het bedrag van de terugvordering wegens dringende redenen verlaagd naar € 32.894,17 bruto. Appellante stelt zich op het standpunt dat de terugvordering nog verder moet worden gematigd.
4.4.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden voortaan als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de intrekking en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Voor zover de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, zal de bestuursrechter een herzienings- of terugvorderingsbesluit dat een dergelijke belangenafweging bevat, voortaan toetsen op geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid, waarbij de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de wetgever heeft gekozen voor een systeem van verplichte herziening en terugvordering, indien achteraf blijkt dat een recht op uitkering niet op de juiste wijze is vastgesteld. Voor wat betreft herzienings- en terugvorderingsbesluiten, genomen door het Uwv, geldt dat de toetsing van de bestuursrechter, gelet op de aard van de betrokken belangen en de geringe mate van beleidsruimte van het Uwv, op het punt van de evenwichtigheid intensief zal zijn.
4.5.
Het Uwv heeft bij de beoordeling van de dringende reden zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden meegewogen.
4.6.
Wat betreft het ontstaan van de terugvordering heeft het Uwv terecht meegewogen dat appellante de inkomsten uit het pgb niet zelf heeft gemeld aan het Uwv. Gelet op de hoogte van deze inkomsten, die over de jaren 2016 tot en met 2018 zo hoog waren dat de WAOuitkering niet meer tot uitbetaling kwam, had het voor appellante duidelijk moeten zijn dat deze van invloed konden zijn op de hoogte van het recht op WAO-uitkering. Het Uwv heeft aan de andere kant meegewogen dat er vanuit het Uwv sinds 2005 niet of nauwelijks contact is opgenomen met appellante over bijvoorbeeld de re-integratie. Als dit wel was gebeurd, waren de pgb-inkomsten wellicht ter sprake gekomen. Ook had het Uwv vanuit preventief oogpunt een controle-uitvraag kunnen doen bij de Belastingdienst. Het Uwv zou dan eerder hebben geconstateerd dat appellante pgb-inkomsten had, waardoor de vordering minder hoog zou zijn geweest. Het Uwv heeft in deze omstandigheden aanleiding gezien om de terugvordering te beperken tot de jaren 2016 tot en met 2019. Daarbij heeft het Uwv ook meegewogen dat de door appellante ontvangen pgb-inkomsten ook over het jaar 2020 hebben geleid tot een terugvordering van de WAO-uitkering. Door de terugvordering in deze procedure te beperken tot de jaren 2016 tot en met 2019 is het bedrag van de vordering gewijzigd naar € 49.593,03. Het Uwv heeft in de persoonlijke omstandigheden van appellante en de gevolgen van de terugvordering aanleiding gezien om het terugvorderingsbedrag verder te verlagen. Het Uwv heeft daarbij in aanmerking genomen dat het voor appellante ingrijpend is om kort voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd (in 2025) te worden geconfronteerd met een vordering die een aanzienlijke financiële impact zal hebben. Daarnaast is van belang dat de echtgenoot van appellante wegens langdurige arbeidsongeschiktheid is geconfronteerd met een inkomensterugval. Tot slot is het Uwv bereid om aan te nemen dat de echtgenoot van appellante in enige mate heeft bijgedragen aan de zorg van hun dochter. Met inachtneming van deze omstandigheden heeft het Uwv de vordering verlaagd tot € 32.894,17. Het Uwv heeft hiermee voldoende gewicht toegekend aan de relevante feiten en omstandigheden van dit geval. De uitkomst van de door het Uwv in bestreden besluit 2 gemaakte belangenafweging acht de Raad daarmee niet onevenredig.
Het verzoek om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn
5. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
5.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. [2]
5.2.
Vanaf de ontvangst op 19 januari 2021 van het bezwaarschrift van appellante tegen het besluit van 11 december 2020 tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en (afgerond naar boven) een maand verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met dertien maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.500,-.
5.3.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar vanaf de ontvangst van het bezwaar op 19 januari 2021 tot de beslissing op bezwaar van 12 april 2021 (bestreden besluit 1) afgerond naar boven drie maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn alleen in de rechterlijke fase is geschonden. De Raad zal de Staat daarom veroordelen tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 1 wordt gegrond verklaard en bestreden besluit 1 wordt vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 2 slaagt niet. De Raad zal daarom het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaren.
Proceskosten
7.1.
Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep. De proceskosten worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.332,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,-), € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 2.802,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en tweemaal 0,5 punt voor een reactie naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad en een reactie op het gewijzigde besluit, met een waarde per punt van € 934,-) voor verleende rechtsbijstand en € 61,20 voor reiskosten in hoger beroep. Dit is in totaal € 6.063,20. Appellante krijgt ook het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep terug.
7.2.
Er bestaat tevens aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 april 2021 gegrond en vernietigt dit besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 13 augustus 2024, zoals gewijzigd op 24 februari 2025, ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 6.063.20;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van appellante tot een bedrag van € 467,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en A.I. van der Kris en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) S.P.A. Elzer

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 44, eerste lid, van de WAO
Op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO wordt, indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering niet uitbetaald indien het inkomen zodanig is, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%.
Artikel 57 van Pro de WAO
1.
Ingevolge artikel 57, eerste lid, van de WAO wordt de uitkering die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a van de WAO onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd.
(…)
6. Ingevolge artikel 57, zesde lid, van de WAO kan het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
2.CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.