Appellante ontvangt sinds 1996 een WAO-uitkering en heeft vanaf 2013 inkomsten ontvangen uit het persoonsgebonden budget (pgb) van haar gehandicapte dochter, welke zij niet aan het Uwv heeft doorgegeven. Het Uwv bracht deze inkomsten in mindering op haar WAO-uitkering en vorderde onverschuldigd betaalde uitkeringen terug. Appellante stelde dat een deel van de pgb-inkomsten aan haar echtgenoot toekwam vanwege gedeelde zorgtaken en beriep zich op dringende redenen om terugvordering te matigen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het Uwv de pgb-inkomsten terecht volledig aan appellante had toegerekend. Het Uwv beperkte later de terugvordering tot de jaren 2016-2019 en verlaagde het bedrag wegens dringende redenen. Appellante betwistte deze matiging en stelde dat ook het jaar 2020 meegenomen moest worden.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt het eerdere besluit en verklaart het beroep tegen het eerste besluit gegrond, maar verklaart het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond. De Raad oordeelt dat het Uwv terecht de pgb-inkomsten volledig aan appellante toerekent, omdat zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar echtgenoot substantieel heeft bijgedragen aan de zorgtaken. De matiging van de terugvordering is volgens de Raad proportioneel en zorgvuldig afgewogen. Tevens kent de Raad appellante een schadevergoeding van €1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.