ECLI:NL:CRVB:2026:149

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
24/1298 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 7:12 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Na bezwaar en beroep heeft de rechtbank dit besluit bevestigd. Appellante voerde aan dat haar beperkingen, waaronder post-COVID klachten, onvoldoende waren meegewogen.

De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die een zorgvuldig en consistent rapport uitbracht. De deskundige concludeerde dat appellante ondanks haar klachten in staat was om gemiddeld vier uur per dag en twintig uur per week te werken, en dat er geen aanwijzingen waren voor ernstige cognitieve beperkingen of post-exertionele malaise op de datum in geding.

De Raad volgde het oordeel van de deskundige en de arbeidsdeskundige dat de geselecteerde functies passend zijn. Hoewel de FML in hoger beroep werd aangepast, leidde dit niet tot een andere uitkomst. De Raad paste artikel 6:22 Awb Pro toe en oordeelde dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Het hoger beroep werd afgewezen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1298 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 mei 2024, 22/5739 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 11 februari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante per 21 maart 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Heek, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Een meervoudige kamer van de Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 februari 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.G.B. Bergenhenegouwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.
De Raad heeft het onderzoek heropend en M. Wolff-van der Ven, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 5 juni 2025 rapport uitgebracht. Appellante en het Uwv hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport gegeven.
De deskundige heeft op 27 augustus 2025 nader gerapporteerd. Daarna hebben beide partijen nog een reactie ingezonden.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als verkoopmedewerker boetiek voor gemiddeld 14,23 uur per week. Op 23 maart 2020 heeft zij zich ziekgemeld met fysieke klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 mei 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 23 mei 2022 geweigerd appellante met ingang van 21 maart 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 21 september 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In de bezwaarfase hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek gedaan en rapporten opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 11 augustus 2022 de FML aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens de functies opnieuw bekeken. Hij heeft vastgesteld dat niet alle geduide functies geschikt zijn, maar heeft wel andere functies kunnen duiden. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft minder dan 35%. Het Uwv heeft daarom geen aanleiding gezien voor wijziging van zijn standpunt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de medische rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat en waarom er geen sprake is van beperkingen ten aanzien van het vasthouden en verdelen van aandacht en herinneren. De rechtbank heeft overwogen dat niet blijkt dat appellante zich met deze klachten heeft gemeld bij de behandelend artsen en ook niet dat appellante beperkt is op deze punten. De rechtbank heeft overwogen dat in de medische stukken die appellante heeft overgelegd geen aanknopingspunten te vinden zijn waaruit volgt dat het handelingstempo van appellante vertraagd is als gevolg van ziekte. Ook uit het dagverhaal van appellante volgt niet dat zij steeds rust moet nemen om de dag door te komen. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv gevolgd dat de klachten van verminderde belastbaarheid en snelle overprikkeling niet eerder door appellante naar voren zijn gebracht en bovendien niet onderbouwd zijn. De rechtbank kan de conclusie van de verzekeringsartsen volgen, dat met een urenbeperking van vier uur voldoende rekening wordt gehouden met de beperkingen van appellante. Zowel uit het dagverhaal dat appellante heeft verteld bij de primaire verzekeringsarts als dat bij de verzekeringsarts in bezwaar blijkt niet dat appellante niet in staat zou zijn om vier uur per dag te kunnen werken. Dat appellante niet in staat zou zijn om vier uur per dag te werken blijkt ook niet uit de medische gegevens. Dat appellante ten tijde van de beoordeling leed aan post-exertionele malaise (PEM) blijkt niet uit de medische stukken. De rechtbank heeft overwogen dat in de medische stukken die appellante heeft overgelegd geen aanknopingspunten te vinden zijn waaruit volgt dat sprake is van krachtsvermindering. Ook uit de rapportage van de verzekeringsartsen volgt dit niet. Appellante heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat zij meer beperkt is voor tillen en dragen dan is aangenomen. De rechtbank heeft overwogen dat uit de medische rapporten van de verzekeringsarts in bezwaar blijkt dat met de pijn door meralgia paresthetica rekening is gehouden. Daarbij kan de rechtbank de verzekeringsarts volgen in de conclusie dat uit de medische stukken niet blijkt dat appellante niet in staat is om gedurende de hele (halve) werkdag (stukken) te kunnen lopen of staan.
2.1.
Uitgaande van de juistheid van de medische beoordeling heeft de rechtbank verder geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functies.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij blijft onverminderd van oordeel dat de bij het opstellen van de FML in onvoldoende mate rekening is gehouden met haar klachten en beperkingen waardoor zij niet in staat is om twintig uur per week loonvormende arbeid te verrichten. Appellante heeft postCOVID klachten. Zo is appellante nog steeds dagelijks fors vermoeid en heeft zij een verminderde conditie. Daarnaast heeft appellante te maken met diverse lichamelijke klachten, zoals bijvoorbeeld trillingen in haar linker bovenbeen en zenuwbeschadigingen in haar knie/scheenbeen en teen. Appellante acht zich niet in staat de voor haar geselecteerde functies te vervullen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
5.2.
Gelet op de uiteenlopende visies ten aanzien van de voor appellante geldende beperkingen, heeft de Raad aanleiding gezien om verzekeringsarts Wolff-van der Ven als deskundige te benoemen. In haar rapport van 5 juni 2025 heeft de deskundige vastgesteld dat aannemelijk is dat er doorlopend sprake is geweest van de meralgia paresthetica. Daarnaast was er sprake van meer diffuse, sensibele klachten en een subjectief krachtsverlies in beide benen wat geduid is als een functionele loopstoornis. Een daadwerkelijk duidelijk krachtsverlies aan de ledematen kon niet geobjectiveerd worden. Er was tevens sprake van een status na COVID-19 infectie met mogelijkheid van een postCOVID syndroom. Als gevolg hiervan is appellante volgens de deskundige meer beperkt op de volgende items van de FML: dragen (4.14), lopen tijdens het werk (4.17), staan tijdens het werk (5.4) en afwisseling van houding (5.9). De deskundige heeft zich kunnen verenigen met het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante op 21 maart 2022 in staat was gemiddeld ongeveer vier uur per dag en twintig uur per week te werken. Het ontbreekt aan aanknopingspunten vanuit de aanwezige gegevens dat er rondom datum in geding gedurende de dag aanzienlijk meer recuperatietijd noodzakelijk was, mits rekening gehouden werd met de (aanvullende) beperkingen.
5.3.
Appellante heeft in haar zienswijze naar voren gebracht dat de deskundige Wolffvan der Ven de ernst van haar klachten en beperkingen onvoldoende onderkent. Appellante is van mening dat de conclusies uit het rapport niet kunnen worden gedragen door de voorhanden zijnde medische informatie en het voortschrijdend (medisch) inzicht over de gevolgen, klachten en beperkingen die een COVID-infectie met zich mee kan brengen. Appellante wijst daarbij op haar klachten van vermoeidheid, geheugenproblemen, overprikkeling, concentratieproblemen en een verhoogde rustbehoefte. Appellante heeft aangevoerd dat ook sprake is van PEM, een aandoening waarbij klachten verergeren na lichamelijke, geestelijke of cognitieve inspanning. Met deze klachten is een urenbeperking van slechts twintig uur volstrekt onvoldoende. In dit verband heeft appellante gewezen op de uitspraken van de Raad van 17 juli 2025. [1]
5.4.
Het Uwv heeft rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 juli 2025 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 31 juli 2025 ingebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat de FML in overeenstemming zal worden gebracht met het rapport van de deskundige en de gewijzigde belastbaarheid neergelegd in een FML van 11 juli 2025. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van deze FML geconstateerd dat niet alle voorgehouden functies passend zijn, maar dat er nog wel voldoende passende functies resteren voor de vaststelling van een theoretische verdiencapaciteit van minder dan 35%.
5.5.
De reacties van partijen, en ook de FML van 11 juli 2025, zijn voorgelegd aan de deskundige. De deskundige heeft in haar reactie van 27 augustus 2025 geen aanleiding gezien haar advies te wijzigen. De deskundige heeft vermeld dat door haar zeker rekening is gehouden met de status van appellante na een COVID-infectie en de mogelijkheid van een post-COVID syndroom. De deskundige heeft er echter op gewezen dat niet gesteld kan worden dat iedere post-COVID patiënt alle gerelateerde klachten heeft en ook niet dat iedere patiënt die klachten heeft in dezelfde forse mate. Er is in deze patiëntengroep een grote variatie in het klachtenbeeld en ook in het verloop. Te meer omdat appellante heeft aangegeven dat haar klachten sinds de datum in geding verder zijn verslechterd, heeft de deskundige aangegeven dat zij voor de datum in geding niet zonder meer uit kan gaan van de aard en ernst van de ervaren klachten en belemmeringen op de datum van haar eigen onderzoek. Voor wat betreft de ervaren klachten en belemmeringen op datum in geding moet rekening gehouden worden met hetgeen zij destijds daarover heeft gemeld aan de behandelend artsen en de (verzekerings-)artsen van het Uwv. Een deel van de in de reactie op het rapport genoemde klachten, zoals de prikkelgevoeligheid, zijn door appellante pas later, na de datum in geding, benoemd. Aanwijzingen voor belangrijke cognitieve belemmeringen dan wel PEM kunnen volgens de deskundige niet gedestilleerd worden uit de aanwezige rapportages en medische informatie van destijds. Af te leiden uit de beschreven dagverhalen was appellante destijds in principe in staat om gedurende meer dan vier uur per dag overwegend zittende activiteiten te verrichten, afgewisseld met kortdurend staan en/of lopen. Indien er geen sprake was van meer inspannende activiteiten was er destijds, gelet op het beschreven functioneren van appellante in het dagelijks leven, op de datum in geding geen noodzaak voor structurele rustpauzes. Met de urenbeperking tot vier uur per dag/twintig uur per week wordt ook bij een beperkte belastbaarheid reeds in ruime mate extra recuperatietijd geboden.
Medische beoordeling
5.6.
Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijk door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich in deze zaak voor. Het rapport van de door Raad ingeschakelde deskundige van 5 juni 2025 geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft op 22 mei 2025 met appellante en haar echtgenoot gesproken. Zij heeft de medische gegevens van de behandelaars van appellante bij haar beoordeling betrokken. In wat appellante heeft aangevoerd ziet de Raad onvoldoende aanleiding om de door hem ingeschakelde deskundige niet te volgen. De verwijzing van appellante naar klachten die vaak voorkomende klachten bij mensen met postinfectieuze ziektes treft geen doel, mede gelet op de uitgebreide reactie van de deskundige op wat appellante daarover heeft aangevoerd. Er is geen aanleiding om het rapport en de nadere reactie van de deskundig niet te volgen.
5.7.
De beperkingen die de deskundige in het genoemde rapport van 5 juni 2025 heeft vermeld, zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgenomen in de FML van 11 juli 2025. Er is geen reden voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat met de FML van 11 juli 2025 in voldoende mate rekening is gehouden met de medische situatie van appellante op 21 maart 2022.
Arbeidskundige beoordeling
5.8.
Uitgaande van de juistheid van de op 11 augustus 2022 aangepaste FML is de Raad van oordeel dat de functies van productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), productiemedewerker confectie, kleermaken (SBCcode 272042) en administratief medewerker (document scannen) (SBC-code 315133), receptionist (SBC-code 315120) en productiemedewerker textiel, geen kleding (SBCcode 272043), zoals die in hoger beroep ten grondslag zijn gelegd aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, voor appellante geschikt zijn. Daarvoor wordt verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 31 juli 2025, waarin op toereikende wijze is gereageerd op de signaleringen van de belastende factoren in de functies.

Conclusie en gevolgen

5.9.
Gelet op de aanpassing van de FML en de nadere motivering door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is het bestreden besluit pas in hoger beroep voorzien van een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.
6. De toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor verleende rechtsbijstand begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,- per punt) en € 2.335,- (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze van 22 juli 2025, met een waarde van € 934,- per punt), in totaal € 4.203,-. Verder dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 4.203,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) M.D.F. de Moor