ECLI:NL:CRVB:2026:149
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Na bezwaar en beroep heeft de rechtbank dit besluit bevestigd. Appellante voerde aan dat haar beperkingen, waaronder post-COVID klachten, onvoldoende waren meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die een zorgvuldig en consistent rapport uitbracht. De deskundige concludeerde dat appellante ondanks haar klachten in staat was om gemiddeld vier uur per dag en twintig uur per week te werken, en dat er geen aanwijzingen waren voor ernstige cognitieve beperkingen of post-exertionele malaise op de datum in geding.
De Raad volgde het oordeel van de deskundige en de arbeidsdeskundige dat de geselecteerde functies passend zijn. Hoewel de FML in hoger beroep werd aangepast, leidde dit niet tot een andere uitkomst. De Raad paste artikel 6:22 Awb Pro toe en oordeelde dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Het hoger beroep werd afgewezen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.