ECLI:NL:CRVB:2026:151

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
24/1748 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbAlgemene wet bestuursrechtArtikel 69, eerste lid, ARAAlgemeen Rijksambtenarenreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vijfde verzoek om herziening inzake dienstongeval ambtenaar

Verzoekster, werkzaam als ambtenaar bij een penitentiaire inrichting, liep op 26 mei 2005 tijdens verplichte dienstsport letsel op aan haar linkerknie door een dienstongeval. De minister van Justitie en Veiligheid weigerde aansprakelijkheid te erkennen voor de schade, maar kende wel een bedrag van € 10.000 toe als genoegdoening voor tekortkomingen in het re-integratietraject. De rechtbank en de Raad van State bevestigden de besluiten, waarbij de Raad slechts een vergoeding van € 1.000 voor buitengerechtelijke kosten toekende.

Verzoekster diende meerdere verzoeken om herziening in, waarvan dit het vijfde is. Zij stelt dat de uitspraak van 2013 gebaseerd is op onjuiste visies en onrechtmatig handelen van de minister, wat ernstige schade heeft veroorzaakt. De Raad oordeelt dat herziening alleen mogelijk is bij nieuwe feiten die voorheen niet bekend waren en tot een andere uitspraak zouden leiden.

De Raad concludeert dat verzoekster geen nieuwe feiten aanvoert die aan deze criteria voldoen en dat het verzoek dient te worden afgewezen. Tevens waarschuwt de Raad dat bij een volgend verzoek zonder nieuwe feiten sprake kan zijn van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht, met mogelijke veroordeling in proceskosten. De uitspraak van 17 oktober 2013 blijft daarmee ongewijzigd.

Uitkomst: Het vijfde verzoek om herziening wordt afgewezen omdat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor herziening.

Uitspraak

24/1748 AW
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1748 AW
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2013, 12/906 AW en 12/907 AW
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Minister van Justitie en Veiligheid (Minister)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om het vijfde verzoek om herziening van een uitspraak van de Raad. Dit verzoek wordt afgewezen, omdat opnieuw niet is voldaan aan de vereisten die aan een verzoek om herziening worden gesteld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. [1]

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft met een brief van 17 juli 2024 opnieuw verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2013. [2]
Verzoekster heeft nadien met regelmaat diverse stukken ingediend, waaronder uitgebreide aanvullingen op haar verzoek om herziening.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 december 2025. Verzoekster is verschenen vergezeld door [naam] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Verhagen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Verzoekster was werkzaam bij de [penitentiaire inrichting] te [plaats] als [functie] . Zij is op 26 mei 2005 tijdens de verplichte dienstsport in aanraking gekomen met een collega en heeft daarbij letsel aan haar linkerknie opgelopen. Het ongeval is aangemerkt als een dienstongeval. Met een besluit van 25 mei 2010, en na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 16 december 2010, heeft de minister geweigerd aansprakelijkheid te erkennen voor de schade die verzoekster als gevolg daarvan heeft geleden.
1.2.
Met een besluit van 4 oktober 2010, en na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 28 april 2011, heeft de minister verzoekster op grond van artikel 69, eerste lid, van het ARAR [3] een bedrag van € 10.000,- (bruto) toegekend, bij wijze van genoegdoening voor de eventueel uit haar re-integratietraject voortgevloeide schade. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat volgens een rapport van de Nationale ombudsman van 7 september 2009 (nr. 2009/186) sprake is geweest van enkele tekortkomingen in het re-integratietraject. Voor het overige heeft de minister de door verzoekster gevraagde schadevergoeding afgewezen.
1.3.
Met een uitspraak van 5 januari 2012, [4] heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch de beroepen tegen de besluiten van 16 december 2010 en van 28 april 2011 ongegrond verklaard.
1.4.1.
Met de uitspraak van 17 oktober 2013, waarvan herziening is gevraagd, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank wat betreft het besluit van 16 december 2010 bevestigd. De Raad heeft met de rechtbank geoordeeld dat de minister aan de op hem als werkgever rustende zorgplicht heeft voldaan. Daarbij is overwogen dat niet in geschil is dat in dit geval geen sprake was van gebreken in het spelmateriaal of de sportzaal die het ongeval zouden hebben kunnen veroorzaken. Verder heeft de Raad van betekenis geacht dat de minister gebruik heeft gemaakt van de diensten van een gekwalificeerde sportinstructeur, terwijl niet is gebleken of aannemelijk geworden dat de instructeur daarbij fouten heeft gemaakt. Evenals als de rechtbank is de Raad daarom tot de conclusie gekomen dat in het geval van verzoekster tijdens de dienstsport op 26 mei 2005 sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.
1.4.2.
De uitspraak van de rechtbank is door de Raad vernietigd, maar alleen wat betreft de weigering van de minister om de buitengerechtelijke kosten te vergoeden. De Raad heeft aan verzoekster een vergoeding van € 1.000,- voor buitengerechtelijke kosten toegekend, het besluit van 4 oktober 2010 in zoverre herroepen en bepaald dat de uitspraak van de Raad in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 28 april 2011.
1.5.
Verzoekster verzoekt de Raad nu voor de vijfde keer om zijn uitspraak van 17 oktober 2013 te herzien. De eerdere verzoeken zijn afgewezen met uitspraken van 17 mei 2018, [5] 31 januari 2019, [6] 2 december 2019 [7] en 26 januari 2024. [8]
Het standpunt van verzoekster
2. Aan dit vijfde verzoek om herziening legt verzoekster samengevat ten grondslag dat de uitspraak van 17 oktober 2013 gebaseerd zou zijn op niet waarheidsgetrouwe visies en percepties weergegeven uit de naam van de minister. Verzoekster ziet hiervoor steun in de stukken van een door haar gevoerde tuchtrechtelijke procedure tegen de advocaat van de minister. Het gaat om al het onrechtmatig handelen uit naam van de minister ter zake van het dienstongeval en de gevolgschade, welk handelen voor de uitspraak in 2013 heeft plaatsgevonden. Dat handelen heeft uiteindelijk ernstige schade opgeleverd en leidt al bijna 20 jaar tot schade in haar carrière en medische behandelingen, aldus verzoekster.

Het oordeel van de Raad

3.1.
Herziening van een uitspraak op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb is alleen mogelijk op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden als zij bij de bestuursrechter eerder bekend waren geweest.
3.2.
De Raad maakt uit het inmiddels omvangrijke dossier op dat verzoekster ook nu weer de discussie wil openen over de punten van geschil waarover in de uitspraak van 17 oktober 2013 al is geoordeeld. De Raad herhaalt dat volgens zijn vaste rechtspraak het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Van nieuwe feiten of omstandigheden (nova) als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, die voldoen aan de criteria a, b en c is geen sprake. Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen.
3.3.
De Raad geeft verzoekster mee dat bij een eventueel nieuw (zesde) verzoek om herziening waarin geen nova als hierboven bedoeld worden aangevoerd, een oordeel dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht op de loer ligt. In zo’n geval kan verzoekster worden veroordeeld in de proceskosten aan de kant van de minister.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek om herziening moet worden afgewezen. Dit betekent dat de uitspraak van 17 oktober 2013 in stand blijft.
5. Verzoekster krijgt daarom haar proceskosten niet vergoed. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van B.F.C. Wiedenhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026.
(getekend) H. Lagas
(getekend) B.F.C. Wiedenhof

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
3.Algemeen Rijksambtenarenreglement.