Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:171

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
24/1756 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 lid 1 aanhef en onder e PWArt. 16 lid 1 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstand wegens te lang verblijf in buitenland zonder zeer dringende redenen

Appellante verbleef vanaf 24 september 2022 langer dan de maximaal toegestane vier weken in het buitenland, waardoor zij op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Participatiewet (PW) was uitgesloten van het recht op bijstand. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag trok daarom de bijstand met ingang van 24 september 2022 in en vorderde de verleende bijstand over de periode tot en met 31 december 2022 terug.

Appellante voerde aan dat er zeer dringende redenen waren om toch bijstand te verlenen, zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW, vanwege haar medische situatie die haar terugkeer naar Nederland zou hebben belemmerd. De Raad benadrukte dat zeer dringende redenen alleen aan de orde zijn bij een acute noodsituatie, bijvoorbeeld een levensbedreigende situatie of ernstig letsel, en dat het aan de betrokkene is om dit aannemelijk te maken.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante niet had aangetoond dat sprake was van een acute noodsituatie of dat haar medische situatie haar terugkeer tijdig had verhinderd. Daarom was er geen grond voor bijstandverlening op basis van artikel 16, eerste lid, PW. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bleef in stand. Tevens werd appellante geen vergoeding voor proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer

24.1756 PW-PV

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2024, 23/5890 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (college)
Datum uitspraak: 10 februari 2026
Zitting heeft: E.J.M. Heijs
Griffier: A.T. Dannenberg
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 februari 2026. Voor appellante is verschenen mr. H. Oldenhof, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Ameziane.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het college heeft met een besluit van 15 maart 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 24 juli 2023 (bestreden besluit), de bijstand met ingang van 24 september 2022 ingetrokken en de verleende bijstand over de periode van 24 september 2022 tot en met 31 december 2022 tot een bedrag van € 3177,42 van appellante teruggevorderd. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante wegens te lang verblijf in het buitenland was uitgesloten van bijstand en dat er geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet (PW) zijn om toch bijstand te verlenen. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarna appellante hoger beroep heeft ingesteld.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante vanaf 24 september 2022 de maximaal toegestane duur van vier weken verblijf in het buitenland heeft overschreden en dat zij daardoor op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW was uitgesloten van het recht op bijstand. Appellante stelt zich op het standpunt dat het college haar desondanks met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de PW bijstand had moeten verlenen.
Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak [1] . Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het nietverlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Dit volgt uit vaste rechtspraak [2] .
Het is aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat sprake is van zeer dringende redenen, zodat zij voldoet aan de voorwaarden voor bijstandverlening op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW.
De Raad oordeelt met het college en de rechtbank dat appellante daarin niet is geslaagd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij door haar medische situatie niet tijdig kon terugkeren naar Nederland, laat staan dat sprake was van een acute noodsituatie in de hiervoor bedoelde zin. Alleen al hierom was er geen grond voor bijstandverlening met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de PW.
De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent ook dat appellante geen vergoeding voor proceskosten en griffierecht krijgt.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.T. Dannenberg (getekend) E.J.M. Heijs

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985.