In deze zaak vordert verzoekster schadevergoeding wegens onrechtmatige besluiten van het college met betrekking tot de vergoeding van jeugdhulpkosten. De Raad had eerder het besluit van het college vernietigd en bepaald dat het college € 2.593,75 aan verzoekster moest betalen voor gemaakte kosten van jeugdhulp.
Verzoekster vordert nu de wettelijke rente over dit bedrag en daarnaast een immateriële schadevergoeding van € 30.000 voor zichzelf en € 50.000 voor haar ouders. Het college erkent de wettelijke rente maar betwist het causale verband voor de overige schade.
De Raad oordeelt dat het college de wettelijke rente moet vergoeden, maar wijst de overige schadevergoedingen af. De immateriële schade is onvoldoende concreet onderbouwd en er is geen causaal verband met de onrechtmatige besluiten vastgesteld. Ook de schade voor de ouders is niet concreet onderbouwd en niet aantoonbaar het gevolg van de besluiten.
De Raad benadrukt dat de jeugdhulp wel is verleend en de kosten inmiddels zijn terugbetaald, waardoor schade wegens het uitblijven van hulp niet aannemelijk is. De proceskosten worden deels toegewezen aan verzoekster.