ECLI:NL:CRVB:2026:224

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
22/1315 JW-S
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 6:119 BWArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om schadevergoeding na onrechtmatige besluiten jeugdhulpverlening afgewezen behalve wettelijke rente

In deze zaak vordert verzoekster schadevergoeding wegens onrechtmatige besluiten van het college met betrekking tot de vergoeding van jeugdhulpkosten. De Raad had eerder het besluit van het college vernietigd en bepaald dat het college € 2.593,75 aan verzoekster moest betalen voor gemaakte kosten van jeugdhulp.

Verzoekster vordert nu de wettelijke rente over dit bedrag en daarnaast een immateriële schadevergoeding van € 30.000 voor zichzelf en € 50.000 voor haar ouders. Het college erkent de wettelijke rente maar betwist het causale verband voor de overige schade.

De Raad oordeelt dat het college de wettelijke rente moet vergoeden, maar wijst de overige schadevergoedingen af. De immateriële schade is onvoldoende concreet onderbouwd en er is geen causaal verband met de onrechtmatige besluiten vastgesteld. Ook de schade voor de ouders is niet concreet onderbouwd en niet aantoonbaar het gevolg van de besluiten.

De Raad benadrukt dat de jeugdhulp wel is verleend en de kosten inmiddels zijn terugbetaald, waardoor schade wegens het uitblijven van hulp niet aannemelijk is. De proceskosten worden deels toegewezen aan verzoekster.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente over de jeugdhulpkosten, overige schadevergoedingen worden afgewezen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
22/1315 JW-S
Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[verzoekster] [woonplaats] (verzoekster)
het college van burgemeester en wethouders van Etten-Leur (college)
Datum uitspraak: 26 februari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om een verzoek om schadevergoeding. Het verzoek om de wettelijke rente te vergoeden over het eerder door de Raad bepaalde bedrag van € 2.593,75 dat het college aan verzoekster moet betalen, komt voor toewijzing in aanmerking. Het verzoek om immateriële schade van verzoekster te vergoeden, wijst de Raad af omdat een causaal verband tussen de onrechtmatige besluiten en de gestelde immateriële schade niet kan worden vastgesteld. Verzoekster heeft ook verzocht om materiële en immateriële schadevergoeding voor haar ouders. De Raad wijst dit verzoek af, reeds omdat de gestelde schade niet onderbouwd is door middel van concrete en verifieerbare gegevens en bovendien niet is komen vast te staan dat de gestelde schade een gevolg is van de onrechtmatige besluitvorming van het college.

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. I.T.A. Duijs hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 maart 2022, 21/3364, in het geding tussen verzoekster en het college.
Bij uitspraak van 18 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2040, heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij is het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van verzoekster om schadevergoeding.
Namens verzoekster is het verzoek om schadevergoeding nader uiteengezet. Het college heeft hierop een reactie ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 januari 2026. Voor verzoekster zijn verschenen haar ouders en mr. Duijs. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Linssen en mr. B.F.J. Bollen, advocaat.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. De uitspraak van de Raad van 18 oktober 2024 betrof een geschil tussen partijen over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om de kosten te vergoeden van jeugdhulpverlening door jeugdhulpaanbieder [naam jeugdhulpaanbieder] over de periode januari 2019 tot en met juli 2019 van een bedrag van € 2.593,75. In de genoemde uitspraak heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 8 juli 2021 (bestreden besluit) vernietigd. Verder heeft de Raad het primaire besluit van 2 juni 2020 herroepen. Omdat niet in geschil was dat jeugdhulp voor verzoekster tijdens de in geding zijnde periode noodzakelijk was, maar een onderzoek door het college achterwege was gebleven naar welke hulp naar aard en omvang nodig was voor de jeugdige om op te groeien naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, heeft de Raad – mede gelet op het tijdsverloop – aanleiding gezien zelf in de zaak te voorzien. De Raad heeft bepaald dat het college de gemaakte kosten van jeugdhulp van € 2.593,75 aan verzoekster dient te vergoeden. Omdat verzoekster de Raad verzocht had haar verzoek om schadevergoeding nader te mogen onderbouwen, is het onderzoek heropend en is verzoekster in de gelegenheid gesteld een gespecifieerde opgave te doen van de door haar gestelde schade.

Het standpunt van verzoekster

2. Verzoekster vordert de wettelijke rente over het bedrag dat het college haar ten gevolge van de uitspraak van 18 oktober 2024 moet betalen voor de gemaakte kosten van jeugdhulp van [naam jeugdhulpaanbieder]. Verder vordert verzoekster een bedrag van € 80.000,00. Dit bestaat uit € 30.000,00 immateriële schadevergoeding voor haarzelf en € 50.000,00 materiële en immateriële schadevergoeding voor haar ouders.
Het standpunt van het college
3. Het college is bereid de wettelijke rente over het bedrag van € 2.593,75 te vergoeden. De overige gestelde schade komt volgens het college niet voor vergoeding in aanmerking vanwege – kort samengevat – het ontbreken van het causale verband tussen de schade en de onrechtmatige besluiten.

Het oordeel van de Raad

4.1.
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat een oorzakelijk verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. [1]
Wettelijke rente
4.2.
Niet is in geschil dat het primaire besluit van 2 juni 2020 en het bestreden besluit van 8 juli 2021 onrechtmatig zijn jegens verzoekster. Dit betekent eveneens dat het college dient te worden veroordeeld tot vergoeding van schade voor zover deze schade ziet op de wettelijke rente inzake de vertraging in de voldoening van een geldsom als bedoeld in artikel 6:119 van Pro het BW. [2] Het college heeft dat ook erkend en ter zitting verklaard het door verzoekster berekende bedrag te willen betalen, zijnde € 543,13. Het college zal daarom alsnog worden veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over de nabetaling van de gemaakte kosten van jeugdhulp van € 2.593,75.
4.3.
Ten aanzien van de overige door verzoekster gestelde schadeposten moet de vraag worden beantwoord of deze voldoende onderbouwd zijn en of zij het gevolg zijn van de onrechtmatige besluiten en of zij voor vergoeding in aanmerking komen.
Overige materiële schade
4.4.
De door verzoekster voor haar ouders gevorderde materiële schade bestaat volgens verzoekster uit het mislopen van inkomsten als gevolg van het bezig zijn met alle procedures, waardoor zij minder hebben kunnen werken. Dit verzoek wordt afgewezen reeds omdat de gestelde schade niet is onderbouwd door middel van concrete en verifieerbare gegevens en bovendien niet is komen vast te staan dat de gestelde schade een gevolg is van de onrechtmatige besluitvorming van het college als bedoeld in 1.
Immateriële schade
4.5.1.
Voor de beantwoording van de vraag of, en zo ja, in hoeverre immateriële schade moet worden vergoed, wordt (ook) zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. [3] [4] Voor aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. [5]
4.5.2.
Ter onderbouwing van de door haar geleden immateriële schade heeft verzoekster diverse brieven van medici overgelegd. Onder meer jeugdarts [naam jeugdarts] schrijft: “…de vervelende situatie met meerdere instanties en communicatie buiten het gezin om heeft bijgedragen aan een traumatische periode voor [verzoekster], die bijdraagt aan de huidige klachten” en kinderrevalidatiearts Te [naam kinderrevalidatiearts] schrijft dat verzoekster stress heeft ervaren door het Raadsonderszoek (lees: het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming) en dat dat ‘ruis’ oplevert in de behandeling van haar hersenletsel. Het college heeft niet betwist dat verzoekster immateriële schade heeft geleden maar gesteld dat het causale verband ontbreekt tussen de onrechtmatige besluiten en de schade. Het college heeft opgemerkt dat verzoekster heeft gesteld dat de schade betrekking heeft op meerdere jaren (tot heden) en aangevangen is in november 2018. De gestelde schade is dus tijdens een lange periode ontstaan en er hebben meerdere tussenliggende gebeurtenissen plaatsgevonden. Het college is daardoor van mening dat niet kan worden gesteld dat er een direct causaal verband bestaat met de besluiten van 2 juni 2020 en 8 juli 2021. De schade die verzoekster stelt te hebben geleden heeft te maken met verschillende gebeurtenissen die buiten de invloedssfeer van het college liggen en die dus ook niet aan de onrechtmatige besluiten kunnen worden toegerekend. Voorbeelden van deze gebeurtenissen zijn de meldingen door derden bij Veilig Thuis, de betrokkenheid van de Raad voor de Kinderbescherming, de medische situatie van verzoekster, de betrokkenheid van zorgaanbieders en het onderwijs en ook de situatie van de zus van verzoekster. Het college heeft weinig tot geen invloed op deze gebeurtenissen gehad, aldus het college.
4.5.3.
De Raad onderschrijft dit standpunt. Niet kan worden vastgesteld dat die gestelde immateriële schade een gevolg is van de onrechtmatige besluiten. Door [naam jeugdhulpaanbieder] is immers wel jeugdhulp verleend over de periode van januari 2019 tot en met juli 2019, die door de ouders van verzoekster betaald is. Inmiddels heeft het college deze kosten aan de ouders terugbetaald. Nu deze jeugdhulp wel is verleend, kan schade als gevolg van uitblijven daarvan of als gevolg van het niet vergoeden van de kosten van [naam jeugdhulpaanbieder] niet aan de orde zijn. Uit de door verzoekster overgelegde brieven van medici blijkt dat verzoekster nadeel heeft ondervonden maar niet dat deze schade een gevolg is van de onrechtmatige besluitvorming hier in geding. Het bestuursrecht biedt geen aanknopingspunten om buiten de gevolgen van de onrechtmatige besluitvorming om tot schadevergoeding te komen.
4.5.4.
Wat is overwogen in 4.4 over de overige materiële schade geldt ook voor de door verzoekster gestelde immateriële schade die haar ouders hebben geleden. Zowel voor het geestelijk letsel als voor de gestelde schending van eer en goede naam ontbreken ook hier concrete gegevens die de gestelde immateriële schade onderbouwen en waaruit volgt dat die schade een gevolg is van de onrechtmatige besluitvorming van het college, hoe treurig de gevolgen van de hele situatie ook zijn.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het verzoek om schadevergoeding, voor zover het ziet op de wettelijke rente over het door het college nabetaalde bedrag aan jeugdhulp voor [naam jeugdhulpaanbieder], wordt toegewezen. Voor het overige wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5.2.
Omdat het verzoek gedeeltelijk wordt toegewezen, bestaat er aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van verzoekster in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 934,- (2 punten met wegingsfactor 0,5) in verband met de indiening van het verzoek en de behandeling van het verzoek ter zitting.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het college tot vergoeding van de wettelijke rente over de nabetaling van de gemaakte kosten van jeugdhulp van € 2.593,75;
  • wijst het schadeverzoek voor het overige af;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman als voorzitter en E.E.V. Lenos en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026

(getekend) C.W.C.A. Bruggeman

De griffier is verhinderd te ondertekenen

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1466.
2.Burgerlijk Wetboek.
3.Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, en 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278.
4.Zie de uitspraak van 14 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3348.
5.Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, en 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278.