ECLI:NL:CRVB:2026:226

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
23/1981 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3 ZWArt. 7 ZWArt. 30a ZWArt. 33 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering WW- en ZW-uitkering wegens gefingeerd dienstverband

Appellant had een WW-uitkering ontvangen over de periode van 3 februari 2020 tot en met 2 mei 2020 en een ZW-uitkering van 4 mei 2020 tot en met 31 januari 2022. Het UWV stelde na een intern onderzoek vast dat appellant niet als werknemer verzekerd was omdat er sprake was van gefingeerde dienstverbanden bij twee BV's. Het UWV trok de uitkeringen in en vorderde deze terug. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond en bevestigde de besluiten van het UWV.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek van het UWV was ingegeven door vooringenomenheid en dat zijn privacyrechten waren geschonden. Ook stelde hij dat er wel sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en dat er dringende redenen waren om van intrekking en terugvordering af te zien. De Raad oordeelde dat het UWV het onderzoek zorgvuldig had uitgevoerd zonder gebruik van risicokenmerken bij de selectie en dat appellant vrijwillig zijn bankafschriften had verstrekt.

De Raad onderschreef de bevindingen van de rechtbank dat appellant onvoldoende objectief en verifieerbaar tegenbewijs had geleverd. De Raad stelde dat het UWV terecht de uitkeringen had ingetrokken en teruggevorderd en dat er geen dringende redenen waren om hiervan af te zien. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WW- en ZW-uitkering worden bevestigd wegens het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/1981 WW en 23/1982 ZW
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 mei 2023, 22/4168 en 22/4169 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 18 februari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaken over de vraag of het Uwv de WW-uitkering van appellant over de periode van 3 februari 2020 tot en met 2 mei 2020 en de ZW-uitkering van appellant over de periode van 4 mei 2020 tot en met 31 januari 2022 terecht met terugwerkende kracht heeft ingetrokken en teruggevorderd, omdat hij niet als werknemer verzekerd was voor de werknemersverzekeringswetten. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Van vooringenomenheid van het Uwv bij het ingestelde fraudeonderzoek, is volgens de Raad geen sprake.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Kara, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Raad van 18 april 2024 [1] over het toetsingskader bij herzienings- en/of terugvorderingsbesluiten de Raad te informeren of de uitspraak volgens hen gevolgen heeft voor deze zaken. Het Uwv heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 20 november 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A. Kara. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.
De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend en vragen gesteld aan het Uwv. Het Uwv heeft hierop gereageerd en in een gesloten enveloppe nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft hierbij verzocht tot geheimhouding van deze nadere stukken op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Met een beslissing van 9 april 2025 heeft de Raad met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb beslist dat de gevraagde beperkte kennisname van de stukken niet gerechtvaardigd is. De Raad heeft bepaald dat de stukken worden teruggezonden en heeft het Uwv verzocht om de stukken zonder doorhalingen opnieuw in te zenden. Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 17 april 2025 de stukken alsnog overgelegd. Appellant heeft op deze stukken gereageerd.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een (nadere) zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaken niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft op 16 februari 2020 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend. Appellant zou laatstelijk werkzaam zijn geweest in dienst van [naam B.V. 1] van 2 januari 2020 tot en met 31 januari 2020. Daaraan voorafgaand zou appellant van 1 augustus 2019 tot en met 31 december 2019 werkzaam zijn geweest bij [naam B.V. 2] Bij besluit van 25 maart 2020 heeft het Uwv appellant met ingang van 3 februari 2020 een WW-uitkering toegekend. Vanuit deze situatie heeft appellant zich met ingang van 29 april 2020 ziekgemeld. Bij besluit van 8 mei 2020 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 4 mei 2020 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2.
Naar aanleiding van een interne melding heeft het Uwv onderzoek verricht naar een mogelijk gefingeerd dienstverband van appellant bij [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] Het Uwv heeft onder meer Suwinet en de interne systemen geraadpleegd en informatie ingewonnen bij de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst. Ook heeft het Uwv bankafschriften van [naam B.V. 1], [naam B.V. 2] en appellant opgevraagd. Het Uwv heeft appellant op 23 november 2021 gehoord. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het onderzoeksrapport van 30 december 2021.
1.3.
Bij besluit van 22 februari 2022 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant ingetrokken, omdat aannemelijk is dat appellant niet als werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan bij [naam B.V. 2] en daarom op basis van dit dienstverband niet als werknemer verzekerd is voor de WW. Er wordt daardoor niet voldaan aan de wekeneis.
1.4.
Bij een besluit van 1 maart 2022 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant ingetrokken, omdat aannemelijk is dat appellant niet als werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan bij [naam B.V. 2] en daarom niet als werknemer is verzekerd voor de werknemersverzekeringswetten. Het Uwv verwijst verder naar het besluit over de WW-uitkering van 22 februari 2022.
1.5.
Bij besluit van 3 maart 2022 heeft het Uwv een bedrag ter hoogte van € 9.355,56 bruto aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant teruggevorderd over de periode van 3 februari 2020 tot en met 2 mei 2020.
1.6.
Bij besluit van eveneens 3 maart 2022 heeft het Uwv een bedrag ter hoogte van € 63.993,47 bruto aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde ZW-uitkering van appellant teruggevorderd over de periode van 4 mei 2020 tot en met 31 januari 2022.
1.7.
Bij besluit van 5 augustus 2022 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 22 februari 2022 en 3 maart 2022 over de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat voldoende aannemelijk is dat sprake is van gefingeerde dienstverbanden bij [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2], zodat appellant niet als verzekerde in de zin van de werknemersverzekeringswetten wordt aangemerkt. Volgens het Uwv heeft appellant in bezwaar geen nieuwe feiten en omstandigheden gesteld die anders doen blijken.
1.8.
Bij besluit van eveneens 5 augustus 2022 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 1 maart 2022 en 3 maart 2022 over de intrekking en terugvordering van de ZW-uitkering ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv opnieuw ten grondslag gelegd dat voldoende aannemelijk is dat sprake is van gefingeerde dienstverbanden bij [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2], zodat appellant niet als verzekerde in de zin van de werknemersverzekeringswetten wordt aangemerkt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft vooropgesteld dat het Uwv op grond van artikel 54 van Pro de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen bevoegd is om gegevens en inlichtingen te vragen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de bij of krachtens deze wet of enige andere wet uit te voeren taken. Het Uwv heeft in het bestreden besluit 1 gemotiveerd weergegeven, en nader op de zitting toegelicht dat de aanleiding voor het onderzoek naar [naam B.V. 2] en [naam B.V. 1] is gebaseerd op een interne melding bij het Uwv over een andere werknemer die een ZW-uitkering ontving op basis van een ziekmelding bij het bedrijf [naam B.V. 3] In het onderzoek naar mogelijke fraude bij [naam B.V. 3] kwamen de bedrijven [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] naar voren. Op grond daarvan heeft het Uwv ook naar deze werkgevers onderzoek gedaan, waaruit onder meer bleek dat de salarisbetalingen niet klopten. Vervolgens zijn alle medewerkers van [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] aan wie een uitkering was verstrekt, aan een onderzoek onderworpen. Nadere selectiecriteria, algoritmen, risicokenmerken of fraude-indicatoren zijn daarbij volgens het Uwv niet gebruikt. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het onderzoek van het Uwv is ingegeven door vooringenomenheid of dat sprake was van etnische profilering. Appellant heeft niet concreet onderbouwd dat gebruik is gemaakt van algoritmen of lijsten met risicokenmerken en fraude-indicatoren. De rechtbank twijfelt niet aan de mededeling van het Uwv dat alle medewerkers van [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] die een uitkering van het Uwv ontvingen, zijn onderzocht. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van een schending van het recht op privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het opvragen van bankafschriften met als doel vast te stellen of recht op uitkering bestond, heeft de rechtbank niet buitenproportioneel geacht. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is van het buiten medeweten opvragen van gegevens als bedoeld in de uitspraak van de Raad van 11 oktober 2018. [2]
2.2.
Verder heeft het Uwv met de gegevens uit het ingestelde onderzoek voldoende aannemelijk gemaakt dat ten tijde in geding geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met [naam B.V. 2] zodat appellant op grond van dit dienstverband niet verzekerd was voor de WW en daarom niet voldaan wordt aan de wekeneis. Uit de bevindingen in het onderzoeksrapport volgt dat ten tijde van het onderzoek op 30 augustus 2021 in de polisadministratie geen dienstverband van appellant met [naam B.V. 2] was geregistreerd, maar dit achteraf is gecorrigeerd. Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat [naam B.V. 2] en [naam B.V. 1] geen omzet hebben behaald in 2019 en 2020 en ook geen inkomsten hebben ontvangen van potentiële opdrachtgevers. Deze omstandigheden stroken niet met het feit dat er wel salaris is uitbetaald en ook is het (hoge) salaris in de situatie van appellant moeilijk te verklaren. Het op de loonstroken vermelde salaris komt bovendien niet overeen met het salaris in het PWS-systeem van het Uwv en op de loonstroken wordt een ander bankrekeningnummer genoemd dan waarop het salaris is gestort. Verder heeft appellant geen arbeidsovereenkomst met [naam B.V. 2] kunnen overleggen en komt de op de loonstroken vermelde functie ‘toezichthouder bouw’ niet overeen met de door appellant beschreven werkzaamheden (sloopwerk, tegelwerk, plafonds aanleggen en ytongblokken zetten). Appellant kon geen namen van collega’s en opdrachtgevers noemen. Daarnaast heeft appellant in zijn belastingaangiftes over 2019 en 2020 wel de omzet uit eigen bedrijf opgegeven, maar geen inkomsten opgegeven uit overige werkzaamheden. Tot slot zijn veel contante stortingen op de bankrekeningen van [naam B.V. 1] gedaan en deze bedragen zijn vaak doorgestort naar [naam B.V. 2] Naar het oordeel van de rechtbank is appellant er niet in geslaagd om aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens voldoende tegenbewijs te leveren. Omdat appellant per 3 februari 2020 geen recht had op een WW-uitkering omdat hij niet als werknemer kan worden aangemerkt, was hij ook niet verzekerd voor de ZW. Er bestaat daarom ten aanzien van de ziekmelding op 29 april 2020 geen recht op een ZW-uitkering. Op basis van bovenstaande heeft het Uwv volgens de rechtbank dan ook terecht de eerder toegekende WW- en ZW-uitkering ingetrokken.
2.3.
De rechtbank heeft in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding gezien voor het aannemen van dringende redenen om van intrekking of terugvordering af te zien. Appellant heeft op zijn geestelijke toestand tijdens het “verhoor” gewezen, maar heeft dit niet onderbouwd met medische gegevens. Appellant heeft daarvan tijdens het gesprek bij het Uwv ook geen melding gemaakt. Ook is niet gebleken dat de psychische situatie van appellant is verslechterd als gevolg van de terugvordering. Wat betreft de financiële gevolgen heeft de rechtbank overwogen dat appellant met het Uwv een betalingsregeling heeft getroffen. Appellant kan op ieder moment verzoeken om een (nieuwe) betalingsregeling, afgestemd op zijn financiële situatie.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant stelt zich op het standpunt dat het onderzoek blijk geeft van institutionele vooringenomenheid. Bij de beoordeling of een melding nader wordt onderzocht heeft volgens appellant de nietNederlandse afkomst van de bestuurders en werknemers/uitzendkrachten van [naam B.V. 2] en [naam B.V. 1] een rol gespeeld. Appellant heeft daarbij gewezen op de lijst van risicokenmerken en fraude-indicatoren in de door het Uwv overgelegde werkinstructies. Daarnaast heeft appellant opnieuw aangevoerd dat het Uwv het recht op respect voor het privéleven, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, heeft geschonden. De door hem afgegeven bankafschriften zijn niet vrijwillig verstrekt. Verder zijn volgens appellant door hem voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering af te zien.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van vooringenomenheid bij het onderzoek naar appellant. Daarnaast meent het Uwv dat geen sprake is van schending van artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Er bestaan geen aanknopingspunten voor de conclusie dat appellant zijn bankafschriften niet vrijwillig heeft verstrekt. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat appellant de bevindingen uit het onderzoeksrapport met argumenten kan bestrijden, maar appellant hierin niet geslaagd is.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de intrekking en de terugvordering van de WW- en ZW-uitkering van appellant in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in de hoger beroepen heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Bij besluiten tot intrekking van socialezekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking is geweest tussen appellant en [naam B.V. 2] Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellant ten tijde hier van belang geen dienstbetrekking in de zin van de werknemersverzekeringswetten heeft vervuld, dan ligt het op de weg van appellant de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
Vooringenomenheid onderzoek
5.2.
Het Uwv heeft op verzoek van de Raad de Werkinstructie Gefingeerde Dienstverbanden overgelegd. In deze werkinstructie wordt voor de themaonderzoeker en medewerker themaonderzoek (TO) binnen de afdeling Handhaving Themaonderzoek van het Uwv per processtap aangegeven hoe een onderzoek naar een vermoeden van een mogelijk gefingeerd dienstverband verloopt. Bij de processtap ‘intake en registratie’ is uiteengezet dat het kan gaan om een interne of externe melding. Interne meldingen zijn afkomstig van andere organisatieonderdelen binnen het Uwv, maar kunnen ook ontstaan uit lopende gevallen. Signalen kunnen tevens voortkomen uit een query of bestandvergelijkingen, aangeleverd door Risicomanagement & Intelligence. In de processtap ‘beoordelen meldingen’ start het onderzoek welke melding in behandeling wordt genomen en welke niet. De medewerker neemt de melding door en beoordeelt of de melding in aanmerking komt voor onderzoek. Dit gebeurt door een korte check in alle beschikbare systemen en op basis van ervaring. Ook wordt naar andere werknemers gekeken binnen het te onderzoeken bedrijf. Afhankelijk van de melding wordt ook verder gekeken met betrekking tot adressen, bestuurders en eigenaren. Wanneer de medewerker vervolgens vaststelt dat sprake is van een vermoeden van een gefingeerd dienstverband, gaat de melding verder het proces in en worden de meldingen verdeeld over alle TO-kantoren. In de volgende processtap ‘uitvoeren werkopdracht’ start de themaonderzoeker een gedetailleerd onderzoek op. Voorafgaand aan dit gedetailleerde onderzoek wordt met behulp van een zogeheten QuickScan onderzocht of de aanvraag van de uitkering of de betaling van een lopende uitkering hangende het onderzoek geschorst moet worden. Voor deze Quikscan wordt in de werkinstructie verwezen naar (onder meer) de in de bijlage bij de werkinstructie genoemde risicokenmerken/fraude-indicatoren.
5.3.
Uit het voorgaande volgt dat bij de vraag welke melding in behandeling wordt genomen de in de bijlage bij de werkinstructie genoemde risicokenmerken/fraudeindicatoren in het werkproces binnen de afdeling Handhaving Themaonderzoek van het Uwv niet worden gehanteerd. Dat dit in de melding, die heeft geleid tot het onderzoek naar appellant wél is gebeurd, is niet gebleken. Het Uwv heeft gemotiveerd toegelicht dat [naam B.V. 3] vanuit een eerder onderzoek naar een gefingeerd dienstverband bij dit bedrijf naar voren is gekomen. Dit eerdere onderzoek betrof een persoon die een ZWuitkering ontving vanuit een ziekmelding bij [naam B.V. 3] Nadat uit dit onderzoek was komen vast te staan dat bij deze persoon sprake was van een gefingeerd dienstverband met [naam B.V. 3] heeft het Uwv onderzoek ingesteld naar alle werknemers van [naam B.V. 3] die een uitkering ontvingen van het Uwv. Tijdens deze onderzoeken bleek dat werknemers van [naam B.V. 3] onder meer overstapten naar [naam B.V. 2] en [naam B.V. 1] Wegens vermoedens dat tevens sprake was van gefingeerde dienstverbanden bij deze bedrijven, zijn ook alle dienstverbanden van werknemers van deze bedrijven die een uitkering ontvingen van het Uwv onderzocht. Het betoog van appellant dat het Uwv bij het in behandeling nemen van de interne melding gebruik heeft gemaakt van voormelde risicokenmerken en fraude-indicatoren en daarom sprake is van vooringenomenheid bij het onderzoek naar een mogelijk gefingeerd dienstverband van appellant bij [naam B.V. 2] volgt de Raad daarom niet.
Artikel 8 EVRM Pro
5.4.
De stelling van appellant dat het Uwv met het onderzoek het recht op respect voor het privéleven, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, heeft geschonden, wordt niet gevolgd. Op 23 november 2021 is appellant gehoord. Tijdens dit gesprek is aan appellant onder meer gevraagd zijn bankafschriften te overleggen. Op 24 november 2021 heeft het Uwv het gespreksverslag aan appellant toegestuurd en hierin bevestigd welke gegevens zij van appellant wensen te ontvangen. Appellant heeft vervolgens op 29 november 2021 per e-mail zelf deze bankafschriften overgelegd. Van enige druk om de bankafschriften te overleggen is niet gebleken. Het betoog van appellant kan reeds daarom niet slagen.
Privaatrechtelijke dienstbetrekking
5.5.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over de aanwezigheid van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met [naam B.V. 2] zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van een zogeheten gefingeerde dienstbetrekking. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden geheel onderschreven. Ook in hoger beroep heeft appellant geen nadere objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd waarmee hij het tegenovergestelde aannemelijk heeft gemaakt.
5.6.
Uit het voorgaande volgt dat het Uwv in beginsel verplicht was de onverschuldigd betaalde WW- en ZW-uitkering in te trekken en terug te vorderen. Dat is slechts anders indien sprake is van een dringende reden om van intrekking of terugvordering af te zien.
Dringende reden
5.7.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 [3] heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de intrekking en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
5.8.
De Raad is van oordeel dat het Uwv in dit geval zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de intrekking en terugvordering alle feiten en omstandigheden die relevant zijn bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen. De oorzaak van de intrekking en terugvordering valt volledig aan appellant te wijten en het Uwv heeft adequaat en voortvarend gehandeld. Appellant heeft aangevoerd dat een dringende reden gelegen is in de gevolgen van de intrekking en terugvordering. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat hij psychische klachten heeft ontwikkeld als gevolg van de intrekking en terugvorderingen heeft hij dat niet met medische stukken onderbouwd. Wat betreft de financiële gevolgen van de terugvordering is van belang dat deze zich in het algemeen pas voordoen bij de invordering of verrekening. Met appellant is een betalingsregeling getroffen. Aldus heeft het Uwv voldoende rekening gehouden met de financiële gevolgen van de terugvordering voor appellant. Het Uwv heeft daarom geen aanleiding hoeven zien op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van intrekking of terugvordering af te zien.

Conclusie en gevolgen

5.9.
De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van de WW- en ZW-uitkering in stand blijven.
6. Omdat de hoger beroepen niet slagen, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en G.C. Boot en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) C.E.A. Tessemaker

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 3, eerste lid, van de ZW
1. Werknemer is de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
Artikel 7, aanhef en onderdeel a, van de ZW
Voor de toepassing van deze wet wordt als werknemer beschouwd:
a. degene, die krachtens de verplichte verzekering op grond van de Werkloosheidswet uitkering ontvangt;
Artikel 30a van de ZW
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ziekengeld en terzake van weigering van ziekengeld, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt hij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 30, 31, 38, 45 of 49 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ziekengeld;
b. indien anderszins het ziekengeld ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 28, 31, 45 of 49 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ziekengeld bestaat.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.
Artikel 33, eerste en zesde lid, van de ZW
1. Het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30, tweede lid, 30a of 45 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 3, eerste lid, van de WW
1. Werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
Artikel 22a van de WW
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, herziet het UWV een dergelijk besluit of trekt het dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 25 ertoe Pro leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 36, eerste en zesde lid, van de WW
1. De uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het UWV teruggevorderd. Indien de uitkering, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de werkgever wordt teruggevorderd, kan deze het teruggevorderde bedrag niet verhalen op de werknemer.
6. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
2.CRvB 11 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3205.
3.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.